Fysica_Inleiding_interactieve_presentatie



















FYSICA

Inleiding

Grootheden • SI-eenheden • beduidende cijfers • omzettingen


SPECIFIEKE VORMING

Van correct meten naar correct rapporteren.

1 / 41
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNatuurwetenschappenSecundair onderwijs

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson



















FYSICA

Inleiding

Grootheden • SI-eenheden • beduidende cijfers • omzettingen


SPECIFIEKE VORMING

Van correct meten naar correct rapporteren.

Waar werken we naartoe?


Planfiche: één kernleerplandoel, zichtbaar in vijf beoordelingscriteria.



Leerplandoel WD2_12.02.01

Je gebruikt meetinstrumenten en hulpmiddelen nauwkeurig en rapporteert correct met symbolen, (SI-)eenheden, beduidende cijfers, meetnauwkeurigheid en machten van 10.



Dit moet je kunnen

1. Grootheden en SI-eenheden
2. Omzetten met machten van 10
3. Beduidende cijfers toepassen
4. Meet- en rekengegevens correct noteren
5. Labomateriaal juist gebruiken


CHECK JEZELF OP HET EINDE

Niet alleen “het antwoord” telt — ook eenheid, notatie en nauwkeurigheid.

Je maakt een EIGEN FORMULARIUM.

Samen met deze bundel komt dit vooraan in je cursus.


Fysica - Inleiding

3

Startchallenge


Denk 30 seconden individueel. Bespreek daarna met je buur.


Een tafel is 1,20 m lang.



Grootheid

?



Waarde

?



Eenheid

?


DENK • PAAR • DEEL

Bonus: wat vertelt “1,20” dat “1,2” niet vertelt?

Fysica - Inleiding

4

Grootheid, waarde en eenheid



GROOTHEID

=


WAARDE

+


EENHEID



Grootheid

Wat je meet of berekent.
Voorbeelden: lengte, massa, tijd, snelheid.



Waarde

Het getal dat bij de meting of berekening hoort.
Voorbeeld: 1,20.



Eenheid

Hoe je de grootheid uitdrukt.
Voorbeeld: meter (m).

Zonder eenheid is een meetwaarde meestal onvolledig.

Fysica - Inleiding

5

De 7 SI-grondgrootheden


Vul eerst zelf aan in je bundel. Daarna controleren we samen.


Grondgrootheid


symbool


SI-eenheid


symbool


lengte


l


meter


m


massa


m


kilogram


kg


tijd


t


seconde


s


elektrische stroom


I


ampère


A


temperatuur


T


kelvin


K


hoeveelheid stof


n


mol


mol


lichtsterkte


Iᵥ


candela


cd


TIP: symbool grootheid ≠ symbool eenheid

Voorbeeld: massa m, maar kilogram kg.

Fysica - Inleiding

6

Afgeleide grootheden: match!


Welke eenheid hoort bij welke grootheid?


s

afgelegde weg


v

gemiddelde snelheid


a

versnelling


F

kracht


p

druk


E

energie


P

vermogen


ρ

massadichtheid


Pa

← kies


m/s²

← kies


kg/m³

← kies


N

← kies


J

← kies


m

← kies


W

← kies


m/s

← kies


MATCH
IN JE
BUNDEL

Fysica - Inleiding

7

Beduidende cijfers


Ze vertellen iets over de nauwkeurigheid van een meting.



1

Niet-nul cijfers tellen

243 → 3 BC



2

Nullen tussen cijfers tellen

2003 → 4 BC



3

Voorloopnullen tellen niet

0,0042 → 2 BC



4

Eindnullen na komma tellen

4,500 → 4 BC

BC = beduidende cijfers

Fysica - Inleiding

8

Miniquiz: hoeveel beduidende cijfers?


Steek 1–4 vingers op. Geen rekenmachine.


0,0034

? BC


4,500

? BC


0,00089

? BC


6,0800

? BC


0,0500

? BC


0,0005002

? BC


ANTWOORDEN OP VOLGENDE SLIDE

Fysica - Inleiding

9

Check + rekenregels



0,0034


2 BC


4,500


4 BC


0,00089


2 BC


6,0800


5 BC


0,0500


3 BC


0,0005002


4 BC



Optellen / aftrekken

Rond af op evenveel decimalen als de meetwaarde met het minste aantal decimalen.

12,45 + 0,3 = 12,75 → 12,8



Vermenigvuldigen / delen

Rond af op evenveel beduidende cijfers als de meetwaarde met het minste aantal BC.

2,3 × 0,052 = 0,1196 → 0,12


ROND PAS OP HET EINDE AF

Fysica - Inleiding

10

Hoeveel beduidende cijfers heeft het getal 0,00450?

A

2

B

3

C

4

D

5

Bereken en rond correct af: 12,34 + 0,6

A

12,9

B

12,94

C

13,0

D

12,940

Bereken en rond correct af: 15,2 - 3,78

A

11,42

B

11,4

C

11,420

D

11

Bereken en rond correct af: 2,4 × 3,15

A

7,56

B

7,6

C

7,560

D

7,5

Bereken en rond correct af: 8,40 ÷ 2,0

A

4,2

B

4,20

C

4,200

D

4

Welk resultaat is correct afgerond voor 0,0204 × 15,0?

A

0,306

B

0,31

C

0,3060

D

0,3

Welke van de volgende is géén SI-grondgrootheid?

A

massa

B

temperatuur

C

kracht

D

stroomsterkte

Wat is de SI-grondeenheid van elektrische stroomsterkte?

A

volt

B

watt

C

ohm

D

ampère

Welke combinatie van grondgrootheid en SI-grondeenheid is correct?

A

lengte – meter

B

massa – newton

C

tijd – hertz

D

stofhoeveelheid – joule

Hoeveel SI-grondgrootheden zijn er?

A

5

B

6

C

7

D

8

Omzetten met machten van 10


Een voorvoegsel is eigenlijk een macht van 10.


G

giga

10⁹


M

mega

10⁶


k

kilo

10³


SI

10⁰


m

milli

10⁻³


µ

micro

10⁻⁶


n

nano

10⁻⁹



Voorbeeld 1

3,4 km = 3,4 × 10³ m



Voorbeeld 2

7,5 mm = 7,5 × 10⁻³ m

Let op: bij massa is de SI-eenheid kilogram (kg).

Fysica - Inleiding

11

Omzettingschallenge


Werk telkens in 3 stappen: voorvoegsel → macht van 10 → SI-eenheid.


25 cm

……… m


7,2 km

……… m


32,5 µm

……… m


7,45 g

……… kg


12,8 nA

……… A


68,0 cL

……… L


DUO • 4 MINUTEN

Fysica - Inleiding

12

waar zit de fout?

Zet 3,6 km om naar de SI-eenheid meter in wetenschappelijke notatie.

A

3,6 × 10^2 m

B

3,6 × 10^3 m

C

3,6 × 10^1 m

D

3,6 × 10^4 m

Welke omzetting naar de SI-eenheid is correct voor 45 ms?

A

4,5 × 10^-2 s

B

4,5 × 10^-3 s

C

45 × 10^-2 s

D

4,5 × 10^2 s

Zet 0,00072 A om naar wetenschappelijke notatie in de SI-eenheid.

A

7,2 × 10^-3 A

B

7,2 × 10^-5 A

C

7,2 × 10^-4 A

D

72 × 10^-5 A

Zet 2500 g om naar de SI-eenheid kilogram in wetenschappelijke notatie.

A

2,5 × 10^0 kg

B

2,5 × 10^3 kg

C

2,5 × 10^-3 kg

D

25 × 10^-1 kg

Twee stappen combineren


Voorbeeld: 54 km/h → m/s



1

Schrijf de breuk

54 km / 1 h



2

Zet teller om

54 000 m / 1 h



3

Zet noemer om

54 000 m / 3600 s



4

Bereken

15 m/s

Jouw beurt: 72 km/h = ? m/s


TIP: km/h ÷ 3,6 = m/s

Fysica - Inleiding

13

Opgelet bij oppervlakte en volume!


De omzettingsfactor wordt óók gekwadrateerd of gekubiceerd.



Lengte

1 cm = 10⁻² m



Oppervlakte

1 cm² = (10⁻²)² m² = 10⁻⁴ m²



Volume

1 cm³ = (10⁻²)³ m³ = 10⁻⁶ m³


3,5 cm² = 3,5 × 10⁻⁴ m²

3,2 mL = 3,2 × 10⁻⁶ m³


VALKUIL: niet alleen het getal omzetten

Fysica - Inleiding

14

Zet 3,2 m² om naar cm².

A

3,2 × 10² cm²

B

3,2 × 10³ cm²

C

3,2 × 10⁴ cm²

D

3,2 × 10⁶ cm²

Zet 4500 mm² om naar m² in wetenschappelijke notatie.

A

4,5 × 10⁻³ m²

B

4,5 × 10⁻⁶ m²

C

4,5 × 10⁻¹ m²

D

4,5 × 10⁻⁹ m²

Zet 0,75 dm³ om naar cm³.

A

7,5 cm³

B

75 cm³

C

750 cm³

D

7500 cm³

Welke omzetting is correct voor 2,4 × 10⁻² m³ naar dm³?

A

2,4 × 10⁻⁵ dm³

B

2,4 × 10⁻² dm³

C

24 dm³

D

240 dm³

Een plaat heeft een oppervlakte van 6,0 × 10⁵ cm². Wat is dat in m²?

A

6,0 m²

B

60 m²

C

600 m²

D

0,60 m²

Gemengde toepassing


Gebruik: Gegeven → Gevraagd → Formule → Berekening → Antwoordzin



?

Situatie

Een kubus heeft een zijde van 2,40 cm. Bereken het volume in cm³ en rond correct af.


1

Gegeven

l = 2,40 cm


2

Gevraagd

V = ? cm³


3

Formule

V = l³


4

Berekening

2,40³ = 13,824 cm³


5

Antwoord

V = 13,8 cm³


3 BEDUIDENDE CIJFERS

Fysica - Inleiding

15

Vectoriële grootheden vs Scalaire grootheden.

Maak je eigen formularium?


Verlengde instructie?

--> Open leerplein

  • neem je planfiche

  • maak de oefeningen in je bundel ( op niveau - sterk?)

  • Leg je eigen formularium aan!!!! MOET vooraan in je cursus.

  • Volgende week toets ( planfiche)

Exit ticket: waar sta je?


Koppel je antwoord aan de beoordelingscriteria van de planfiche.


1

Ik herken grootheden en gebruik correcte SI-eenheden.


🔴


🟠


🟢


2

Ik zet eenheden om met machten van 10.


🔴


🟠


🟢


3

Ik pas de regels van beduidende cijfers toe.


🔴


🟠


🟢


4

Ik noteer meet- en rekengegevens nauwkeurig.


🔴


🟠


🟢


5

Ik kies en gebruik labomateriaal correct.


🔴


🟠


🟢

Noteer één ding dat je nog moet oefenen vóór “Controleer jezelf”.

Fysica - Inleiding

18

CONTROLEER JEZELF

Kun je dit zonder hulp?


✓ grootheid • waarde • eenheid onderscheiden


✓ 7 SI-grondgrootheden herkennen


✓ beduidende cijfers tellen en toepassen


✓ eenheden omzetten met machten van 10


✓ oppervlakte/volume correct omzetten


✓ meetresultaten correct noteren


KLAAR? → OEFENINGEN IN DE BUNDEL

WD2_12.02.01