A2 Reporteros 1
A2 Reporteros 1
Unidad 1: Lección 2: ¿De dónde eres?
¿Qué vamos a hacer hoy?
nakijken huiswerk
lección 2: TB 1 (p.22) , WB 1, 2, 4, 5 en 12 (p.13-15, 18)
lesdoel vandaag: je kunt schrijven in het Spaans waar je vandaan komt en wat je nationaliteit is
Respuestas WB lección 1
WB 5:
a. El cinco de diciembre.
b. El uno de enero.
c. El veintisiete de abril.
d. El dieciséis de abril
WB 10:
a. Cuántos b. Cómo c. dónde d. Cómo
e. Cuántos f. Cuál g. Qué
WB 13:
a. Hoe oud is Laura?
b. Laura is jarig op 25 november.
c. Laura komt uit Madrid.
d. De vriendin van Laura heet Adelaida
WB 12:
Shakira
cuarenta y nueve
Clara Lago
Su cumpleaños es el seis de marzo.
Tiene treinta y seis años.
Es actriz.
Leo Messi
Su cumpleaños es el veinticuatro de junio.
Tiene treinta y nueve años.
Es futbolista.
Marc Márquez
Su cumpleaños es el diecisiete de febrero.
Tiene treinta y tres años.
Es motorista
WB 11
Unidad 1: Lección 2: ¿De dónde eres?: Nationaliteit
TB 1 p. 22: combineer de nationaliteiten en landen
In het Spaans gebruik je het ww ser = zijn om te zeggen uit welk land of welke plaats je komt en om je nationaliteit te zeggen:
soy de Holanda = ik kom uit Nederland
somos de Bussum = wij komen uit Bussum
es holandés = hij is Nederlands
Let op: soy de = ik kom uit maar alleen soy = ik ben
Ayuda tekst:
sois = zijn jullie,
somos de = wij komen uit,
son = zij zijn,
es = is,
tienes = heb je,
se llama = zij heet, habla = spreekt, hablan = zij spreken
hablamos = wij spreken
Unidad 1: Lección 2: ¿De dónde eres?
Let op: de meeste nationaliteiten hebben een mannelijke en vrouwelijke versie in het enkelvoud en meervoud:
alemán - alemana - alemanes - alemanas
italiano - italiana - italianos - italianas
Uitzonderingen: met dezelfde uitgang voor mannelijk en vrouwelijk:
belga - belgas, marroquí - marroquies
WB 1 p.13: schrijf alle mannelijke en vrouwelijke nationaliteiten op.
ayuda: masc. sing = man enkelvoud (ev)
fem. sing = vrouw ev
masc. plur = man meervoud (mv)
fem. plur = vrouw mv
WB 2 p.13
WB 4 p.14
WB 5 p.15
WB 12 p.18
gebruik TB p.28
minute
second
Viernes 4/9 Unidad 1: Lección 3: Lichaamsdelen
¿Qué vamos a hacer hoy?
lesdoel vandaag: je begrijpt hoe je het uiterlijk van personen omschrijft in het Spaans a.d.h.v. lichaamsdelen en bijvoeglijk nmw zoals groot/klein en kleuren
video TB 1, p.24
uitleg lidwoorden en bijvoeglijk nmw mannelijk en vrouwelijk TB p.27
maken oefeningen WB
Bijvoeglijk nmw TB p.27
In het Spaans komt het bijvoeglijk nmw achter het zelfstandig nmw:
Tengo el pelo marrón y los ojos verdes
Als een bijvoeglijk naamwoord eindigt op een o, vier vormen: rojo/a/os/as
eindigt op medeklinker of medeklinker of e, twee vormen: verde/es, azul/es
Lidwoorden
el/la/los/las = de/het
los pies grandes o pequeños = grote of kleine voeten
el pelo largo o corto = lang of kort haar
un/una/unos/unas = een/enkele
una persona alta o baja = is een lang of klein persoon
unos chicos rubios
Over Lichaamsdelen
WB 1, p.19
WB 4, p.20
WB 7, p.21
WB 11, p.23
Over Bijv. nw, lidwoorden etc:
WB 8, p.22
WB 10, p.22
WB 12, p.23
WB 13, p.23
WB 14, p.24
minute
second
Respuestas
Ej. 11 p.23:
Viernes 11/9 Unidad 1:
¿Qué vamos a hacer hoy?
lesdoel vandaag: je kunt de werkwoorden hablar, llamarse, ser y tener vervoegen en de nationaliteit en het uiterlijk van personen beschrijven
herhaling grammatica TB p. 26
preparación a la evaluación WB p. 26
nakijken preparación a la evaluación
oefenen studygo
Grammatica TB p.26
hablar, llamarse, ser, tener
Vertaal de volgende zin in het Spaans en vervoeg het werkwoord in de juiste persoon
Hij heet Pedro
Maria is 14 jaar oud (heeft 14 jaar)
Mijn moeder spreekt Duits
Juan is Argentijns
Carmen komt uit Spanje
minute
second
Grammatica TB p.26
Se llama Pedro- Hij heet Pedro
Maria tiene catorce años - Maria is 14 jaar oud
Mi madre habla alemán- Mijn moeder spreekt Duits
Juan es argentino - Juan is Argentijns
Carmen es de España - Carmen komt uit Spanje
Preparación a la evaluación WB p. 26
1: - gebruik de vragende voornaamwoorden (cuánto, dónde etc.) uit blok C TB p.26
- zet alle zinnen in de tú vorm
2: schrijf de data voluit in een passende zin
3: omschrijf de persoon, bij descripción física (uiterlijk) beschrijf je de kleur van het haar en de ogen
4: maak de zinnen ontkennend, let op de plek van no in de zin, voor het werkwoord
Eerst 10 minuten zelf in stilte werken
minute
second
Respuestas
1 a ¿Cómo te llamas? c ¿De dónde eres
b ¿Cuántos años tienes? d ¿Cuál es tu número de teléfono?
2 b El Día de la Hispanidad es el doce de octubre
c El cumpleaños de Carla es el seis de mayo
d San Juan es el veinticuatro de junio
3 - Laura tiene doce años. Es española. Habla español e inglés. Tiene los ojos verdes y el pelo negro
Joao tiene trece años. Es portugués. Habla portugués, español e inglés. Tiene los ojos verdes y el pelo castaño
Malik tiene veinticuatro años. Es marroquí. Habla árabe, español y francés. Tiene los ojos marrones y el pelo negro
Hannah tiene doce años. Es alemana. Habla alemán, inglés y español. Tiene los ojos azules y el pelo rubio
4 No tiene el pelo negro y no tiene los ojos marrones
No tiene 11 años y no habla árabe