Herhalen ng/wg klas 2

Herhalingsles over naamwoordelijk gezegde en werkwoordelijk gezegde
1 / 14
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Herhalingsles over naamwoordelijk gezegde en werkwoordelijk gezegde

Slide 1 - Slide

Wat is het verschil tussen het werkwoordelijk gezegde en het naamwoordelijk gezegde?

Slide 2 - Open question

Wat zijn de koppelwerkwoorden?

Slide 3 - Open question

Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit een werkwoordelijk deel en een naamwoordelijk deel.
A
waar
B
niet waar

Slide 4 - Quiz

Het werkwoordelijk deel in deze zin is:
Johan is een leuke jongen.
A
is
B
is een leuke jongen
C
is een jongen
D
Johan

Slide 5 - Quiz

Het werkwoordelijk deel van een naamwoordelijk gezegde bevat altijd een koppelwerkwoord.
A
ja
B
nee

Slide 6 - Quiz

Het naamwoordelijk deel van een naamwoordelijk gezegde, bevat een zn of bv over het onderwerp.
A
ja
B
nee

Slide 7 - Quiz

Benoem het naamwoordelijk gezegde in deze zin: Ruben uit klas 4 schijnt een veelbelovende gamer te zijn.

Slide 8 - Open question

Benoem het werkwoordelijk deel uit deze zin: schijnt een veelbelovende gamer te zijn

Slide 9 - Open question

Benoem het naamwoordelijk deel uit dit naamwoordelijk gezegde: schijnt een veelbelovende gamer te zijn

Slide 10 - Open question

welke stappen zet je om het naamwoordelijk gezegde te vinden?

Slide 11 - Open question

Nederlandse dj's zijn de laatste jaren enorm populair.
Pv en ow
A
zijn enorm populair
B
zijn Nederlandse dj's
C
Nederlandse dj's zijn
D
Nederlandse dj's zijn enorm populair

Slide 12 - Quiz

Het mv (meewerkend voorwerp) geeft antwoord op de vraag: aan wie of voor wie? + pv en ow en lv

Slide 13 - Open question

Welke stappen:
Verdeel de zin in zinsdelen. (zinsdeel: stuk van de zin dat altijd bij elkaar blijft staan, husselen! ) 
1. Staat er een koppelwerkwoord in de zin?
2. Ja: IS het onderwerp iets of DOET het onderwerp iets?
3. Is/ Wordt het ow iets: Wat+pv+ ow+ overige werkwoorden.
4. Noteer het naamwoordelijk gezegde. pv + [naamwoordelijk deel] + overige werkwoorden.
5.Zet het nw. deel tussen vierkante haken.

Slide 14 - Slide