Les 5 (verwijzen)

Les 5 26 september 2026 (VO3)
1 / 26
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecondary EducationAge 13

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Les 5 26 september 2026 (VO3)

Slide 1 - Slide

Les 5 VO3

Wat gaan we vandaag doen? 

1. Hoe ging het met het huiswerk?  
2. Cursus 1 Meer dan Lezen Par. 4: Argumenten en tegenargumenten. 
3. Cursus 5 Grammatica §5 Verwijzen (blz 214-215)   


Slide 2 - Slide

Hoe ging het met huiswerk maken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 3 - Poll

Hoe lang duurde het huiswerk maken ongeveer?
minder dan 1.5 uur
meer dan 1.5 uur

Slide 4 - Poll

Standpunt - Argument
Standpunt: Dit is de mening of het standpunt dat de schrijver inneemt over een bepaald onderwerp. Het is wat de schrijver wil overbrengen of verdedigen.
Argument: Dit zijn de redenen of bewijzen die het standpunt ondersteunen. Argumenten versterken het standpunt en maken het overtuigender. 

Slide 5 - Slide

Voorbeeld
Standpunt: "Het openbaar vervoer moet gratis worden."

want

Argument: "Hierdoor wordt de CO₂-uitstoot verminderd omdat meer mensen de auto laten staan."

Slide 6 - Slide

Weerlegging - Tegenargument
Weerlegging: Dit is het antwoord op een tegenargument. Hierin wordt het tegenargument weerlegd of tegengesproken, waardoor het oorspronkelijke standpunt sterker wordt.
Tegenargument: Dit zijn standpunten of redenen die het oorspronkelijke standpunt uitdagen of bekritiseren. Tegenargumenten laten zien dat er ook andere perspectieven zijn.

Slide 7 - Slide

Voorbeeld tegenargument
Standpunt: "Elektrische auto's zijn de beste oplossing voor milieuproblemen."

Tegenargument: "Elektrische auto's zijn niet de beste oplossing, omdat de productie van batterijen veel grondstoffen vereist en milieuschade veroorzaakt."

Weerlegging: "Het is wel zo dat batterijen ook milieuschade veroorzaken maar die milieuschade is van een andere orde: hij valt in het niet bij de milieuschade die je krijgt als je op diesel en benzine zou blijven rijden." 

Slide 8 - Slide

Cursus 5, par 5: verwijzen

Slide 9 - Slide

Onzijdig (het-woorden)
- het-woorden 
- namen van landen, provincies, steden en clubs
- verkleinwoorden
Vrouwelijk (de-woorden)
- vrouwelijke personen en dieren (juf, wolvin)
- de-woorden eindigend op: -heid -nis -ing
-schap -ie - ij -iek -theek -teit -tuur -st -de -te

Mannelijk (de-woorden)
- mannelijke personen of dieren
- woorden waarvan je niet kunt vaststellen of het vrouwelijk is mag je als mannelijk zien

Slide 10 - Slide

DEZE, DIE, DIT, DAT
Dit zijn verwijswoorden.
Ezelsbruggetje:
  • dezE en diE gebruik je bij dE-woorden.

  • diT en daT gebruik je bij heT-woorden.



Slide 11 - Slide

Even oefenen: Roodkapje is op weg naar .... oma
A
zijn
B
hun
C
haar
D
ze

Slide 12 - Quiz

De mediatheek heeft ..... collectie online-boeken uitgebreid.
A
zijn
B
haar
C
hun
D
ze

Slide 13 - Quiz

Deze les loopt lekker, maar .... van vorige keer liep in de soep.
A
dit
B
dat
C
deze
D
die

Slide 14 - Quiz

Even oefenen: Roodkapje is op weg naar .... oma
A
zijn
B
hun
C
haar
D
ze

Slide 15 - Quiz

De mediatheek heeft ..... collectie online-boeken uitgebreid.
A
zijn
B
haar
C
hun
D
ze

Slide 16 - Quiz

Deze les loopt lekker, maar .... van vorige keer liep in de soep.
A
dit
B
dat
C
deze
D
die

Slide 17 - Quiz

Verwijzen - meervoud
Gebruik in het meervoud ze en zij als onderwerp. 
Als het om personen gaat, kun je ze of zij gebruiken en bij dingen gebruik je ze.

Voorbeelden:
Mijn ouders gaan naar de film, ze/zij vinden dat erg leuk.
De laptops worden niet gebruikt want ze zijn stuk.


Slide 18 - Slide

Verwijzen met hen
Gebruik hen als lijdend voorwerp en na een voorzetsel.
Voorbeeld:

Mijn opa en oma nemen mij mee in de auto.
Ik zit niet graag bij (vz) hen in de auto.

Slide 19 - Slide

Verwijzen met hun
Gebruik het verwijswoord hun als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel en als bezittelijk voornaamwoord.

Voorbeeld:  
- De gemeente Den Haag wil graag weten hoe inwoners denken over de veiligheid in hun (bez.vnw) wijk en vraagt hun (mv) daarom een vragenlijst in te vullen.

Slide 20 - Slide

Hun en hen

Slide 21 - Slide

Even oefenen:
Ik zie een groepje leerlingen. Ik roep ...
A
hen
B
hun

Slide 22 - Quiz

Jan en Yet vinden het nog lastig. Ik leg het .... nog een keer uit.
A
hen
B
hun

Slide 23 - Quiz

..... lopen door de school.
A
Hun
B
Hen
C
Zij

Slide 24 - Quiz

Ik heb een cadeautje gekocht voor ....
A
hen
B
hun

Slide 25 - Quiz

Huiswerk voor 3 oktober
- Cursus 5 grammatica: par. 3: Samentrekking. Lees of bekijk de theorie, en maak opdracht 1, 2 en 3 nog een keer OF opdracht 1 (nog een keer) en 6a. 
- Lees in je Nederlandse leesboek.  
- Cursus 5 Grammatica §5 Verwijzen (blz 214-215). Lees of bekijk de theorie. Maak opdracht 1, 2 en 3.  

Slide 26 - Slide