Les 27 taal PABO, 14 mei 2026

Les 27 | Taal OK.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie
1 / 31
next
Slide 1: Slide
NederlandsHBOStudiejaar 1,2

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Les 27 | Taal OK.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Inchecken; Hoe voel je je nu?

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Hoe voel je je?

Blij, enthousiast of..
Normaal, rustig of...
Moe, nerveus, verdrietig of...

Slide 3 - Open question

This item has no instructions

Vraag over eerdere behandelde leerstof. | Geef antwoord op onderstaande vraag.

Een leerling schrijft de volgende zin op:
“Ik gewerkte gisteren heel hard aan mijn spreekbeurt.”

Welke combinatie van problemen met werkwoordspelling zie je vooral in deze zin?

A. Problemen met het herkennen van de ik-vorm en het bepalen van de uitgang
B. Problemen met gewone spellingregels en woordenschat
C. Problemen met het herkennen van het onderwerp en de tijd
D. Problemen met het herkennen van de werkwoordsvorm en woordenschat

Slide 4 - Open question

Ik gewerkte → de leerling herkent de ik-vorm niet goed.
Ook wordt de uitgang verkeerd bepaald; correct is: ik werkte.
De vorige les.
Taal OK.
Lesdoel(en):
  • Ik leerde wat creatief schrijven​ inhoud.
  • Ik leerde de steldidactiek die voldoet aan de kerndoelen.
  • Ik leerde Taalronde JK → OK​.
  • Ik leerde wat de begeleiding van het schrijfproces​ inhoud.
  • Ik leerde feedback te geven op schrijfproducten.

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Leg uit waarom de inhoud van een schrijfopdracht volgens Van Norden (2017) invloed heeft op de motivatie van kinderen om te schrijven. Gebruik in je antwoord minimaal twee didactische kenmerken uit de theorie.

Slide 6 - Open question

This item has no instructions

Welke uitspraak over stelvaardigheden en instructieprincipes is het meest correct?

A. Reviseren vindt alleen plaats aan het einde van het schrijfproces en richt zich vooral op spelling en netheid.
B. Procesgericht schrijfonderwijs betekent dat leerlingen stap voor stap leren plannen, schrijven en reviseren, ondersteund door modeling en gerichte instructie.
C. Formuleren is altijd de eerste stap van het schrijfproces, omdat leerlingen eerst correcte zinnen moeten maken voordat zij inhoud verzamelen.
D. Het combineren van lezen en stellen wordt afgeraden, omdat lezen de creativiteit tijdens het schrijven beperkt.

Slide 7 - Open question

Procesgericht schrijfonderwijs richt zich op:
plannen,
schrijven,
reviseren,
begeleiding via modeling,
duidelijke instructie en voorbeelden.
Tijdens een taalronde leest een leerling zijn tekst hardop voor aan de leerkracht. De leerkracht vraagt daarna:
“Wat bedoel je precies met deze zin?”
“Past dit nog bij het doel van je tekst?”
“Kunnen we samen een duidelijkere zin bedenken?”

Leg uit waarom deze vorm van begeleiding effectief is binnen een taalronde.

Slide 8 - Open question

This item has no instructions

In groep 6 schrijven leerlingen een informatieve tekst. De leerkracht laat leerlingen elkaars werk lezen en feedback geven. Dit gebeurt zonder uitleg of afspraken. Sommige leerlingen geven alleen opmerkingen als “het is goed” of corrigeren willekeurig spelling.

Analyseer deze situatie vanuit de theorie over feedback en revisie. Bespreek:
wat er misgaat in de uitvoering van peer feedback;
welke rol de leerkracht had moeten nemen;
hoe feedback effectiever kan worden gemaakt volgens de principes (focus, ZNO, modelleren, herschrijven).

Slide 9 - Open question

This item has no instructions

In een groep 7 wisselen leerlingen hun betoog uit over “Moeten smartphones verboden worden op school?”. Leerling A geeft de volgende feedback op de tekst van leerling B:
“Er staat een spelfout in zin 2.”
“Je argument komt pas laat in de tekst.”
“Waarom vind jij dat smartphones leren kunnen helpen?”
“Schrijf deze zin anders: begin met je standpunt.”

Welke analyse van deze feedback is het meest correct volgens de theorie van revisiekwaliteit (Key, Straub, Bruins)?

A. De feedback is vooral lager-orde en directief, en daardoor minder effectief, omdat goede feedback zich uitsluitend moet richten op hogere-orde en faciliterende opmerkingen.
B. De feedback is volledig hogere-orde en faciliterend, omdat alle opmerkingen gericht zijn op inhoud en leerlingen zelf laten nadenken over hun tekst.
C. De feedback is een mix van lagere- en hogere-orde feedback en combineert directieve en faciliterende vormen, wat in principe effectief kan zijn voor tekstverbetering, afhankelijk van sturing door de leerkracht.
D. De feedback is onjuist, omdat leerlingen alleen feedback mogen geven op spelling en grammatica en niet op inhoud of structuur.

Slide 10 - Open question

Lagere-orde: spelfout
Hogere-orde: argumentopbouw, inhoud
Directief: “Schrijf deze zin anders…”
Faciliterend: “Waarom vind jij…?”
Instructie.
Taal OK.
Lesdoel(en):
  1. Ik leer spellingsprincipes en -strategieën.
  2. Ik leer drie didactieken voor werkwoordspelling.
  3. Ik leer wat taaltoetsend en taalontwikkeld spellingsonderwijs is.
  4. (Werkwoord)spelling: hoe leer je dat aan?
  5. Spelling op tablet.



Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Spellingsprincipes.
  1. Fonologisch principe​: je schrijft het zoals je het hoort​
  2. Morfologisch principe: ​
    gelijkvormigheid > de hond – de honden​
    overeenkomst > hij loopt – hij vindt​
  3. Etymologisch principe​: spelling volgens herkomst van het woord​
  4. Syllabisch principe:​
    verenkeling > het stuur – de sturen ​
    verdubbeling > de tak – de takken

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Spellingsstrategieën.
Twee ‘hoofdstrategieën’:
  1. Directe strategie; Het woord is geautomatiseerd, je weet hoe je het schrijft.
  2. Indirecte strategie; Als je niet meteen weet hoe je een woord schrijft, gebruik je een strategie.

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Spellingsstrategieën.
  1. Elementaire spellingshandeling; luisterwoorden, klankwoorden = fonologisch principe.
  2. Klankclusterstrategie; luisterwoorden met speciale klankgroepen = Fonologisch principe.
  3. Woordbeeldstrategie; weetwoorden, afspraakwoorden = Etymologisch principe.
  4.  Regelstrategie; regelwoorden = Morfologisch principe (gelijkvormigheid) en syllabisch principe.
  5. Analogiestrategie; voorbeeldwoorden, net-alswoorden = Morfologisch principe (overeenkomstigheid).
  6. Hulpstrategie; ezelsbruggetjes.





Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Werkwoordspelling; didactieken.
Er zijn drie didactieken om werkwoordspelling aan te leren.


Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Werkwoordspelling; didactieken.
  1. Regeldidactiek.
    Tegenwoordige tijd
    Ik: schrijf de ik-vorm
    Jij/hij: schrijf ik-vorm + t
    Wij/jullie/zij: schrijf het hele ww

  2. Analogiedidactiek.
    Kapstok-werkwoorden.

  3. Algoritmedidactiek.
    Belangrijke regel = eerst ontleden.
    De persoonsvorm = stappenplan volgen.
    Overige werkwoorden = algemene spellingsregels.




Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Taaltoetsend en taalontwikkelend spellingonderwijs.
Bij spellingonderwijs kan onderscheid worden gemaakt tussen taaltoetsend, tussenin en taalontwikkelend onderwijs. Deze drie benaderingen verschillen in de mate waarin leerlingen oefenen met betekenis, reflectie en toepassing van taal.

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Taaltoetsend en taalontwikkelend spellingonderwijs.
1. Taaltoetsend onderwijs; Taaltoetsend onderwijs is vooral gericht op het controleren van kennis.
Type oefening: gesloten opdrachten
Taalaanbod: losse woorden
Focus van de oefening: vooral op de vorm (correctheid)
Denken: voorgezegd of gestuurd (deductief)
Reflectie: nauwelijks of niet aanwezig
Effect: toetsen wat leerlingen al weten; het meet vooral beheersing

Dit type onderwijs is dus vooral bedoeld om te checken of leerlingen iets kunnen, niet om hun taalontwikkeling te stimuleren.

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Taaltoetsend en taalontwikkelend spellingonderwijs.
2. Tussenin onderwijs; Tussenin onderwijs vormt een overgang tussen toetsen en ontwikkelen.
Type oefening: op een kier (half open opdrachten)
Taalaanbod: losse zinnen
Focus: zowel vorm als betekenis
Denken: impliciete reflectie (leerlingen denken er deels zelf over na)
Leerproces: pseudo-inductief (leerlingen ontdekken deels zelf regels)
Effect: herhaling en oefening met enige context

Dit type zit tussen controleren en ontwikkelen in.

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Taaltoetsend en taalontwikkelend spellingonderwijs.
3. Taalontwikkelend onderwijs; Taalontwikkelend onderwijs is gericht op het actief ontwikkelen van taalvaardigheid.
Type oefening: open opdrachten
Taalaanbod: betekenisvolle, samenhangende teksten
Focus: vorm, betekenis én functie van taal
Denken: expliciete reflectie
Leerproces: inductief (leerlingen ontdekken en begrijpen taalregels)
Effect: leerlingen voegen nieuwe inzichten toe en ontwikkelen hun taalvaardigheid

Dit type onderwijs stimuleert dus echte taalontwikkeling en inzicht.

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Digitale spellingmethodes.
Digitale spellingmethodes kunnen verschillend worden beoordeeld op hun effect op de spellingontwikkeling van leerlingen. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen negatief effect, geen (of beperkt) effect en positief effect.

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Digitale spellingmethodes.
1. Digitale oefeningen met negatief effect. Dit zijn oefeningen die weinig bijdragen aan spellingontwikkeling of zelfs verwarring kunnen veroorzaken. Kenmerken:
  • meerkeuzevragen waarbij foutieve antwoorden aanwezig zijn
  • oefeningen met verwarrende categorieën binnen één taak
  • korte weergave van eigen fouten zonder verdieping
  • losse, geïsoleerde oefenvormen

Het probleem hierbij is dat leerlingen vooral herkennen in plaats van actief produceren, waardoor weinig diep leren ontstaat.

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Digitale spellingmethodes.
2. Digitale oefeningen zonder duidelijk effect. Dit zijn oefeningen die weinig extra leerwinst opleveren. Kenmerken:
  • enkele letters invullen
  • klikken in plaats van zelf typen
  • inoefenen van woorden die al automatisch goed gaan
  • oefenen binnen één woordcategorie
  • eenmalige herhalingsoefeningen
  • woorden die leerlingen in de praktijk nauwelijks zelf zouden schrijven

Deze oefeningen leiden vaak tot herhaling zonder echte transfer of verdieping.

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Instructie.
Digitale spellingmethodes.
3. Digitale oefeningen met positief effect. Dit zijn oefeningen die daadwerkelijk bijdragen aan spellingontwikkeling en transfer naar schrijven. Kenmerken:
  • visueel en auditief dictee
  • schrijven én typen combineren
  • woorden uit verschillende categorieën oefenen
  • gespreide en adaptieve oefenvormen
  • woorden hardop uitspreken vóór of tijdens het schrijven
  • verbinding maken met echt schrijven (transfer naar productief taalgebruik)

Deze aanpak zorgt voor actieve verwerking en betere overdracht naar zelfstandig schrijven.

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Zelfstandige verwerking.
Kennis testen.
Lesdoel(en):
  1. Ik leer spellingsprincipes en -strategieën.
  2. Ik leer drie didactieken voor werkwoordspelling.
  3. Ik leer wat taaltoetsend en taalontwikkeld spellingsonderwijs is.
  4. (Werkwoord)spelling: hoe leer je dat aan?
  5. Spelling op tablet.

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Een leerling schrijft de volgende woorden verkeerd:
hont in plaats van hond
takken als taken
wijt in plaats van wijd
buro in plaats van bureau

De leerkracht wil uitleggen welk spellingprincipe bij elk woord centraal staat.

Welke combinatie van spellingprincipes is het meest correct?

A. hond → fonologisch principe; takken → etymologisch principe; wijd → syllabisch principe; bureau → morfologisch principe.
B. hond → morfologisch principe (gelijkvormigheid); takken → syllabisch principe (verdubbeling); wijd → morfologisch principe (overeenkomst); bureau → etymologisch principe.
C. hond → syllabisch principe; takken → fonologisch principe; wijd → etymologisch principe; bureau → morfologisch principe.
D. hond → morfologisch principe (overeenkomst); takken → syllabisch principe (verenkeling); wijd → fonologisch principe; bureau → syllabisch principe.

Slide 26 - Open question

hond → morfologisch principe (gelijkvormigheid): je hoort hont, maar schrijft d vanwege honden.
takken → syllabisch principe (verdubbeling): korte klinker → dubbele medeklinker.
wijd → morfologisch principe (overeenkomst): verwant aan vormen zoals wijde.
bureau → etymologisch principe: spelling gebaseerd op Franse herkomst.
Een leerling twijfelt tijdens het schrijven van verschillende woorden en gebruikt daarbij verschillende strategieën:
Bij honden denkt hij aan hond.
Bij bureau zegt hij: “Dat woord moet ik gewoon onthouden.”
Bij takken past hij de regel van klinkerverkorting toe.
Bij ei gebruikt hij het ezelsbruggetje: “korte ei, lange ij.”

Welke combinatie van strategieën past het meest correct bij deze voorbeelden?

A.
1 = regelstrategie
2 = woordbeeldstrategie
3 = regelstrategie
4 = hulpstrategie

B.
1 = analogiestrategie
2 = directe strategie
3 = klankclusterstrategie
4 = woordbeeldstrategie

C.
1 = elementaire spellingshandeling
2 = hulpstrategie
3 = regelstrategie
4 = analogiestrategie

D.
1 = woordbeeldstrategie
2 = indirecte strategie
3 = analogiestrategie
4 = klankclusterstrategie

Slide 27 - Open question

1 = regelstrategie → honden vanuit hond (morfologisch principe/gelijkvormigheid)
2 = woordbeeldstrategie → bureau is een weet-/afspraakwoord (etymologisch principe)
3 = regelstrategie → verdubbeling/verenkeling volgens syllabische regel
4 = hulpstrategie → gebruik van een ezelsbruggetje
Een leerkracht geeft les in werkwoordspelling en gebruikt drie verschillende aanpakken:

Bij de eerste aanpak leren leerlingen vaste regels zoals:
“ik-vorm”, “ik-vorm + t”, “heel werkwoord”.

Bij de tweede aanpak vergelijkt zij werkwoorden met vaste voorbeeldwerkwoorden (“kapstokwerkwoorden”).

Bij de derde aanpak moeten leerlingen eerst de persoonsvorm zoeken en daarna een vast stappenplan volgen.

Welke combinatie van didactieken is het meest correct?

A.
1 = algoritmedidactiek
2 = regeldidactiek
3 = analogiedidactiek

B.
1 = analogiedidactiek
2 = algoritmedidactiek
3 = regeldidactiek

C.
1 = regeldidactiek
2 = analogiedidactiek
3 = algoritmedidactiek

D.
1 = regeldidactiek
2 = algoritmedidactiek
3 = analogiedidactiek

Slide 28 - Open question

Regeldidactiek → vaste regels toepassen (ik-vorm + t)
Analogiedidactiek → werken met voorbeeld- of kapstokwerkwoorden
Algoritmedidactiek → eerst ontleden, daarna stappenplan volgen
Een leerkracht geeft de volgende opdracht aan groep 7:
Leerlingen krijgen een korte tekst over “duurzaamheid”. Daarna moeten ze in tweetallen zelf regels afleiden over het gebruik van signaalwoorden in informatieve teksten. Vervolgens schrijven ze een eigen tekst waarin ze deze signaalwoorden bewust toepassen en daarna bespreken ze met elkaar wat goed werkte en waarom.

Welke typering van het taalonderwijs is hier het meest passend?

A. Taaltoetsend onderwijs, omdat leerlingen uiteindelijk laten zien of ze signaalwoorden correct kunnen toepassen in hun eigen tekst.
B. Tussenin onderwijs, omdat leerlingen werken met een tekst en deels zelf regels afleiden, maar nog sterk gestuurd worden door de leerkracht.
C. Taalontwikkelend onderwijs, omdat leerlingen betekenisvolle teksten gebruiken, zelf taalregels ontdekken en expliciet reflecteren op hun taalgebruik.
D. Taaltoetsend onderwijs, omdat de focus ligt op correcte toepassing van taalvormen in een schrijfproduct.
E. Tussenin onderwijs, omdat er zowel sprake is van oefening in context als van gesloten kenniscontrole via de eindtekst.

Slide 29 - Open question

De kern ligt hier op betekenisvolle input (tekst), inductief regels ontdekken, toepassing in eigen productie én expliciete reflectie. Dat zijn precies de kenmerken van taalontwikkelend onderwijs.
Een leerkracht gebruikt een digitale spellingapp in groep 6. Leerlingen krijgen eerst een auditief dictee. Ze moeten de woorden hardop herhalen, vervolgens typen ze de woorden in volledige zinnen. De app herhaalt fout gespelde woorden later opnieuw in een andere context en laat leerlingen hun eigen fouten vergelijken met eerdere pogingen. Daarna schrijven leerlingen een korte tekst waarin ze de geoefende woorden moeten toepassen.

Welke beoordeling van dit type digitale oefening is het meest passend?

A. Negatief effect, omdat leerlingen eerst woorden horen en herhalen, waardoor verwarring kan ontstaan tussen uitspraak en spelling.
B. Geen (of beperkt) effect, omdat het vooral gaat om herhaald typen van woorden die in zinnen al grotendeels zijn voorgegeven.
C. Positief effect, omdat de oefening auditieve en schriftelijke verwerking combineert, adaptief herhaalt en transfer naar zelfstandig schrijven stimuleert.
D. Geen (of beperkt) effect, omdat leerlingen binnen één digitale omgeving blijven en daardoor geen echte schrijfvaardigheid ontwikkelen.
E. Negatief effect, omdat digitale herhaling altijd leidt tot passief leren in plaats van actieve productie.

Slide 30 - Open question

De oefening bevat actieve productie (typen + zinnen), multimodale verwerking (auditief + schriftelijk), adaptieve herhaling en expliciete transfer naar vrij schrijven. Dit zijn precies kenmerken van digitale oefeningen met een positief effect op spellingontwikkeling.
De volgende les.
Wat ga je leren?
De volgende les:
  • x

Belangrijk: Ik stuur je, na elke les, de LessonUples naar je toe. Herhalen is belangrijk.



Slide 31 - Slide

This item has no instructions