Sociale ongelijkheid (Maatschappijwetenschappen havo), les 1: Uitleg

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Sociale ongelijkheid

Examenstof maatschappijwetenschappen havo

1 / 22
next
Slide 1: Slide
New lesson editorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Uitleg over sociale ongelijkheid, hulpbronnen, stratificatie en mobiliteit, positietoewijzing en positieverwerving, maatschappelijke ladders, gevolgen van een lage positie en sociale uitsluiting, voor het havo-examen maatschappijwetenschappen. Kapitaalvormen staan in de les Socialisatie en identiteit.

Items in this lesson

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Sociale ongelijkheid

Examenstof maatschappijwetenschappen havo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: C1 (8.1-8.4), C4 (11.1-11.4). Image credit: Rob Bogaerts / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Wat ga je kunnen?

Ik kan sociale ongelijkheid, stratificatie en maatschappelijke posities verklaren en de gevolgen van een lage positie beschrijven.

This item has no instructions

Waarom hebben sommige mensen meer kansen dan anderen?

Laat leerlingen woorden en voorbeelden inbrengen. Verwachte woorden: geld, opleiding, afkomst, contacten, geslacht, kennissen, huis, diploma, discriminatie, status. Groepeer op het bord in wat mensen hebben (geld, contacten, status, macht) en wat daarvan het gevolg is. Dat zijn de hulpbronnen in blok 1. De kapitaalvormen (economisch, sociaal, cultureel) zijn al behandeld in de les Socialisatie en identiteit: laat leerlingen die zelf noemen.

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Wat is sociale ongelijkheid?

  • Sociale ongelijkheid: verschillen tussen mensen hebben gevolgen voor hun maatschappelijke positie.

  • Het gevolg is een ongelijke verdeling van schaarse, hooggewaardeerde zaken, van waardering en behandeling.

  • Alle verschillen zijn sociaal gevormd: de samenleving geeft er verwachtingen en betekenis aan.

  • Hoe groter de gevolgen van verschillen, hoe ongelijker de sociale verhoudingen.

Syllabus 8.1: sociale ongelijkheid is een situatie waarin verschillen tussen mensen in al dan niet aangeboren kenmerken consequenties hebben voor hun maatschappelijke positie en leiden tot een ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken, van waardering en behandeling. Welke betekenis mensen aan verschillen geven is cultureel bepaald en verandert. Dit hoort bij het hoofdconcept verhouding. Veelgemaakte fout: denken dat het verschil zelf (bijvoorbeeld geslacht of huidskleur) de ongelijkheid is. Ongelijkheid ontstaat pas door de betekenis en de gevolgen die de samenleving aan het verschil geeft.

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Vier soorten hulpbronnen

  • Economische hulpbronnen: geld, bezit, inkomen en vermogen, ook opleiding en beroepservaring.

  • Sociale hulpbronnen: mensen die je kent en die je steunen of geld uitlenen.

  • Symbolische hulpbronnen: status en aanzien. Niet in een getal uit te drukken.

  • Politieke hulpbronnen: macht en gezag, zoals juridische of militaire dwangmiddelen.

Syllabus 8.1: vier soorten sociale ongelijkheid, oftewel ongelijke verdelingen van hulpbronnen. Opleiding en beroepservaring rekent de syllabus tot de economische hulpbronnen, omdat je ermee kunt werken en geld verdienen. Koppel aan de les Socialisatie en identiteit: daar zijn economisch, sociaal en cultureel kapitaal besproken. Laat leerlingen het verband zelf leggen: kapitaal en hulpbronnen overlappen. Veelgemaakte fout: status en aanzien als sociale hulpbron aanmerken omdat het met mensen te maken heeft. Status en aanzien zijn symbolisch; sociale hulpbronnen zijn de personen die je kent en kunnen helpen.

Arbeiders en bouwvakkers luisteren op de Waterlooplein, Amsterdam, 1966

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Stratificatie en sociale mobiliteit

  • Sociale stratificatie: de verdeling van de maatschappij in sociale lagen met ongelijkheid ertussen.

  • Het lidmaatschap van een laag is ten dele sociaal erfelijk: kinderen komen vaak in de laag van hun ouders.

  • Sociale mobiliteit: van laag veranderen, opwaarts (stijgen) of neerwaarts (dalen).

  • Kapitaal bepaalt hoe makkelijk je van positie kunt veranderen.

Syllabus 8.2: sociale stratificatie is een verdeling van de maatschappij in groepen of sociale lagen waartussen sociale ongelijkheid bestaat. Het lidmaatschap is ten dele sociaal erfelijk. Verschillen in economisch, sociaal en cultureel kapitaal beïnvloeden de mogelijkheid om van positie te veranderen: opwaartse en neerwaartse sociale mobiliteit. De foto toont arbeiders in 1966: een grote groep met een vergelijkbare maatschappelijke positie. Vraag: welke positie delen zij en hoe kun je dat zien? Veelgemaakte fout: sociaal erfelijk begrijpen als biologisch erfelijk. Het gaat om overdracht van kapitaal en kansen via het milieu. Image credit: Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0

Een rechter kan met juridische dwangmiddelen gedrag afdwingen. Welke hulpbron is dit?

A

Een economische hulpbron

B

Een sociale hulpbron

C

Een politieke hulpbron

D

Een symbolische hulpbron

Syllabus 8.1: politieke hulpbronnen zijn macht en gezag, waaronder fysieke, militaire of juridische dwangmiddelen. Verwachte fout: symbolische hulpbron kiezen omdat een rechter veel aanzien heeft. Het gaat in de vraag om het afdwingen van gedrag.

Vul in

Sociale stratificatie is een verdeling in lagen. Als iemand van laag verandert, heet dat sociale mobiliteit, die opwaarts of neerwaarts kan zijn.

stratificatie
mobiliteit
neerwaarts
klasse
positieverwerving

Syllabus 8.2. Verwachte fout: stratificatie en mobiliteit omwisselen. Stratificatie is de indeling in lagen, mobiliteit is de beweging tussen lagen.

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Positietoewijzing en positieverwerving

  • Een maatschappelijke positie is de plaats die iemand inneemt ten opzichte van anderen.

  • Positietoewijzing: maatschappelijke oorzaken van buitenaf bepalen waar iemand terechtkomt.

  • Positieverwerving: iemand verkrijgt een positie door de eigen bijdrage van die persoon of groep.

  • In de praktijk spelen beide processen vaak tegelijk een rol.

Syllabus 8.3: het begrip maatschappelijke positie verwijst naar de plaats die iemand inneemt ten opzichte van anderen, waarmee zijn verhouding tot anderen is bepaald. Bij het verkrijgen van een positie spelen positietoewijzing en positieverwerving in meer of mindere mate een rol. Voorbeelden van toewijzing: de sociale klasse van je ouders, een discriminerende werkgever, de school waar je naartoe gaat. Voorbeelden van verwerving: studeren, solliciteren, een bedrijf beginnen. Veelgemaakte fout: denken dat het of het een of het ander is. De syllabus zegt: in meer of mindere mate allebei.

Twee chirurgen tijdens een operatie

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Twee maatschappelijke ladders

  • Beroepsprestigeladder: beroepen gerangschikt naar de status die mensen eraan toekennen.

  • Veel status hebben chirurgen, rechters en professoren, weinig ongeschoolde arbeiders.

  • Bezitsladder: een ladder op basis van economische positie en positie op de arbeidsmarkt.

  • Daarbij horen klassen: van bovenlaag tot onderklasse.

Syllabus 11.1: uit onderzoek waarin mensen beroepen rangschikken naar status volgt de beroepsprestigeladder. Chirurgen, rechters en professoren hebben veel status, ongeschoolde arbeiders weinig; onderwijzers, afdelingschefs en loodgieters zitten ertussen. Bij de ladder op basis van bezit hoort bijvoorbeeld: een bovenlaag van kapitaalbezitters en topbestuurders, een ondernemersklasse, een professionele middenklasse, een werknemers- of arbeidersklasse en een onderklasse. Veelgemaakte fout: de beroepsprestigeladder baseren op inkomen. De ladder gaat over status, de bezitsladder over bezit. Image credit: Onbekend / Wikimedia Commons, publiek domein

Vrouwencongres in de Tweede Kamer, Den Haag

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Stijgen en dalen op de ladder

  • In de 20e eeuw werd Nederland van een gesloten een opener samenleving.

  • Opleiding, werk en inkomen bepalen je positie steeds meer, afkomst en geslacht minder.

  • Zonder diploma blijven de stijgingskansen voor de onderklasse gering.

  • Een deel van de vrouwen stoot tegen het glazen plafond: een grens in hun carrière.

Syllabus 11.2: afkomst, geslacht en geërfd bezit zijn minder belangrijk geworden, opleiding, soort werk en inkomen belangrijker. Mensen hebben meer kansen op sociale mobiliteit, binnen een generatie en ten opzichte van hun ouders. Voor wie geen diploma haalt is het open karakter beperkt; de kansen in het onderwijs hangen samen met het sociale milieu, bijvoorbeeld door een gebrek aan cultureel kapitaal. Vrouwen: beroepen- en functiesegregatie en het glazen plafond, dat het gevolg kan zijn van positietoewijzing of positieverwerving. Stereotypen en vooroordelen beperken ook de mobiliteit van mensen uit bepaalde etnische groepen. Veelgemaakte fout: denken dat een open samenleving betekent dat iedereen even makkelijk stijgt. Image credit: Ron Kroon / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0

Zet de klassen op volgorde, van hoog naar laag

1

Ondernemersklasse

2

Werknemers- of arbeidersklasse

3

Bovenlaag van kapitaalbezitters en topbestuurders

4

Onderklasse

5

Professionele middenklasse

Syllabus 11.1: de volgorde van de bezitsladder zoals de syllabus die als voorbeeld noemt. Verwachte fout: de professionele middenklasse boven de ondernemersklasse zetten.

Lena studeert hard, haalt haar diploma en wordt teamleider. Welk proces is dit?

A

Positietoewijzing

B

Neerwaartse sociale mobiliteit

C

Positieverwerving

D

Sociale uitsluiting

Syllabus 8.3: Lena verkrijgt haar positie door haar eigen bijdrage. Verwachte fout: positietoewijzing kiezen omdat ze ook een school en docenten had. De vraag legt de nadruk op haar eigen inzet.

Kiezers in een stembureau in Amsterdam, 1982

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Gevolgen van een lage positie

  • Onderwijs: het cultureel kapitaal van ouders beïnvloedt schoolprestaties en vroegtijdig stoppen.

  • Gezondheid: meer ziekten en gemiddeld een kortere levensduur, door kennis en leefstijl.

  • Politiek: onder niet-kiezers zijn mensen met weinig opleiding en laag inkomen oververtegenwoordigd.

  • Cultuur: minder bezoek aan musea en concertzalen en een andere culturele smaak.

Syllabus 8.4: de positie bepaalt hoe zelf vorm gegeven kan worden aan het leven. Onderwijs: cultureel kapitaal van ouders, het oordeel van docenten en beslissingen om opleidingen vroegtijdig te beëindigen. Gezondheid: complexe oorzaken: hogere klassen hebben meer kennis, herkennen symptomen beter en zien het belang van preventie; ze kiezen vaker een gezonde levensstijl; lagere groepen roken, drinken en eten vaker ongezond en sporten minder; communicatievaardigheden spelen een rol bij de arts. Politiek: wie niet stemt compenseert dat zelden op een andere manier. Cultuur: mensen met een hoge opleiding en hoog inkomen gaan vaker naar musea, schouwburgen en concertzalen en lezen meer; lagere posities hebben vaak een voorkeur voor andere vormen van cultuur. Veelgemaakte fout: de culturele smaak van lagere posities als minderwaardig beschrijven. De syllabus spreekt van een andere voorkeur. Image credit: Marcel Antonisse / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0

Jongeren demonstreren bij een arbeidsbureau in Amsterdam, 1982

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Zwakke positie op de arbeidsmarkt

  • De arbeidsparticipatie ligt onder het gemiddelde bij vrouwen, jongeren, ouderen en laagopgeleiden.

  • Ook bij gedeeltelijk arbeidsgeschikten en Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond.

  • Valt iemand in meerdere categorieën, dan wordt de kans op een zwakke positie groter.

  • De positie ontstaat door positieverwerving, maar ook door positietoewijzing.

  • Ook je subjectieve arbeidsmarktkansen tellen mee: hoe je zelf je kansen op werk inschat.

Syllabus 11.3: genoemde groepen hebben een arbeidsparticipatie onder het gemiddelde. De kwetsbare positie ontstaat door positieverwerving en positietoewijzing. Subjectieve arbeidsmarktkansen, de mate waarin iemand zelf de kansen op de arbeidsmarkt positief inschat, spelen een rol bij positieverwerving: er wordt minder hard naar een baan gezocht. Daarnaast spelen de kenmerken waarop werkgevers volgens de werkzoekende letten een rol. De foto toont een demonstratie van jongeren bij een arbeidsbureau in 1982. Vraag: welke groepen uit de lijst herken je hier? Veelgemaakte fout: de oorzaak alleen bij de werkzoekende leggen. Image credit: Rob Bogaerts / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Sociale uitsluiting

  • Bij te grote verschillen kunnen groepen geïsoleerd raken door een cumulatie van problemen.

  • Dit speelt bij circa tien procent van de Nederlandse bevolking en tast de sociale cohesie aan.

  • Vier componenten: beperkte sociale en politieke participatie en beperkte normatieve integratie.

  • En: een tekort aan materiële goederen en geringe toegang tot sociale grondrechten.

Syllabus 11.4: bij circa tien procent van de Nederlandse bevolking is er sprake van een zodanige cumulatie van problemen dat gesproken kan worden van sociale uitsluiting. Sociale uitsluiting kan effect hebben op de sociale cohesie. De vier componenten: (1) beperkte sociale en politieke participatie, zoals beperkte politieke interesse of sociaal isolement, (2) beperkte normatieve integratie, zoals beperkte naleving van gangbare waarden en normen, (3) niet goed kunnen voorzien in elementaire levensbehoeften, een tekort aan materiële goederen, (4) geringe toegang tot sociale grondrechten, zoals onderwijs, huisvesting, gezondheidszorg en veiligheid. Uitsluiting kan het gevolg zijn van positietoewijzing en van positieverwerving. Veelgemaakte fout: sociale uitsluiting gelijkstellen aan armoede. Het gaat om een cumulatie van problemen op meerdere componenten.

Wat is een verklaring voor de kortere levensduur van mensen met een lage positie?

A

Minder kennis en vaker gezondheidsschadend gedrag

B

Zij hebben minder toegang tot een huisarts

C

Zij zijn genetisch minder gezond dan anderen

D

Zij werken gemiddeld meer uren per week

Syllabus 8.4: kennis, leefstijl (roken, drinken, ongezond eten, minder sporten) en communicatie met artsen. Verwachte fout: alleen geld of toegang tot zorg noemen. De syllabus noemt dat niet als oorzaak.

Noem een gevolg van een lage positie voor cultuur.

Goed antwoord: minder vaak naar musea, schouwburgen of concertzalen, minder lezen, of een voorkeur voor andere vormen van cultuur. Verwachte fout: zeggen dat zij geen cultuur hebben. Het gaat om andere voorkeuren.

Wat vond je vandaag het lastigst?

1

Positietoewijzing en positieverwerving

2

De vier soorten hulpbronnen

3

De twee maatschappelijke ladders

4

De vier componenten van uitsluiting

Gebruik de uitslag om les 2 te starten: begin bij het onderdeel dat de meeste stemmen krijgt.

Noem een gevolg van een lage positie voor onderwijs.

Goed antwoord: lagere schoolprestaties door weinig cultureel kapitaal van ouders, een lager oordeel van docenten, of eerder stoppen met een opleiding. Verwachte fout: alleen zeggen dat het geld kost.

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Begrippen (1/2)

  • sociale ongelijkheid: ongelijke verdeling van schaarse, hooggewaardeerde zaken, waardering en behandeling

  • hulpbronnen: economisch, sociaal, symbolisch en politiek: waar mensen ongelijk over beschikken

  • sociale stratificatie: verdeling van de maatschappij in sociale lagen met ongelijkheid ertussen

  • sociale mobiliteit: van sociale laag veranderen, opwaarts of neerwaarts

  • positietoewijzing: maatschappelijke oorzaken van buitenaf bepalen je positie

This item has no instructions

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Begrippen (2/2)

  • positieverwerving: je positie bereiken door je eigen bijdrage

  • beroepsprestigeladder: beroepen gerangschikt naar de status die mensen eraan toekennen

  • glazen plafond: grens in de carrière waar een deel van de vrouwen tegenaan stoot

  • onderklasse: laagste klasse met geringe stijgingskansen en nieuwe schaarste

  • sociale uitsluiting: cumulatie van problemen waardoor groepen geïsoleerd raken

This item has no instructions