Financiële feiten (Bedrijfseconomie havo), les 2: Examentraining

Kassa's in een zelfbedieningswinkel, Memphis (VS), 1918

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Examentraining

Financiële feiten: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining met casussen en berekeningen in vier vraagtypen: effect van een feit, resultaat en balans, van uitgaven naar kosten en van ontvangsten naar opbrengsten, met acht vragen in examenstijl.

Items in this lesson

Kassa's in een zelfbedieningswinkel, Memphis (VS), 1918

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Examentraining

Financiële feiten: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Clifford H. Poland / Wikimedia Commons, publiek domein

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan het effect van financiële feiten bepalen en kosten en opbrengsten berekenen uit uitgaven en ontvangsten.

This item has no instructions

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat is er gebeurd en gaat het om geld (uitgave, ontvangst) of om verbruik en levering (kosten, opbrengst)?

  • 2. Zoek: welke posten op de balans veranderen en verandert het resultaat ook?

  • 3. Reken: gebruik de formules voor kosten en opbrengsten en let op plus en min.

  • 4. Controleer: sluit de balans nog en klopt het resultaat met opbrengsten min kosten?

This item has no instructions

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Vraagtype 1: effect van een feit

  • Je krijgt een feit en bepaalt welke posten op de balans veranderen.

  • Vraag je ook af: zijn er kosten of opbrengsten, dus verandert het resultaat?

  • Bij verkoop van goederen verdwijnt ook voorraad: de inkoopprijs is kosten.

This item has no instructions

Bakkerij Demir koopt voor € 4.000 meel en suiker op rekening. Wat verandert er?

A

Voorraad en crediteuren stijgen, resultaat blijft gelijk

B

Voorraad stijgt, kas en bank dalen, resultaat gelijk

C

Voorraad stijgt en het resultaat daalt met € 4.000

D

Crediteuren dalen en het resultaat daalt met € 4.000

Syllabus 23.1. Inkoop op rekening: voorraad +4.000 en crediteuren +4.000; geen kosten, want het is nog niet verbruikt of verkocht. Verwachte fouten: kas en bank laten dalen (dat is contant), of de inkoop als kosten zien.

Kaasboerderij Smit verkoopt voor € 2.400 op rekening, inkoopprijs € 1.500. Wat klopt?

A

Resultaat stijgt € 900, kas en bank stijgen € 2.400

B

Resultaat stijgt € 2.400, debiteuren stijgen € 2.400

C

Resultaat stijgt € 1.500, debiteuren stijgen € 1.500

D

Resultaat stijgt € 900, debiteuren stijgen € 2.400

Syllabus 23.1. Uitwerking: opbrengst 2.400 min kosten (inkoopprijs) 1.500 = resultaat 900. Debiteuren +2.400, voorraad -1.500, eigen vermogen +900; activa +900 en passiva +900. Nagerekend: 2.400 - 1.500 = 900. Verwachte fouten: kas en bank laten stijgen (dat is contant), de inkoopprijs vergeten, of de inkoopprijs als resultaat zien.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Vraagtype 2: resultaat en balans

  • Eigen vermogen na afloop = eigen vermogen aan het begin plus winst (of min verlies).

  • Resultaat = opbrengsten min kosten.

  • Een balans sluit: totaal activa is gelijk aan totaal passiva.

This item has no instructions

Eigen vermogen € 15.000. Opbrengsten € 5.000, kosten € 3.800. Wat is het eigen vermogen na afloop?

A

€ 11.200

B

€ 16.200

C

€ 20.000

D

€ 1.200

Syllabus 23.1. Uitwerking: resultaat 5.000 - 3.800 = 1.200 winst; eigen vermogen 15.000 + 1.200 = 16.200. Verwachte fouten: 11.200 (kosten van het eigen vermogen af), 20.000 (de opbrengsten erbij), 1.200 (alleen het resultaat).

Een balans sluit. Activa € 52.400, eigen vermogen € 30.900, crediteuren € 6.500. Hoe groot is de lening?

A

€ 15.000

B

€ 21.500

C

€ 37.400

D

€ 89.800

Syllabus 23.1. Uitwerking: passiva zijn gelijk aan activa, 52.400. Lening = 52.400 - 30.900 - 6.500 = 15.000. Controle: 30.900 + 6.500 + 15.000 = 52.400. Verwachte fouten: 21.500 (de crediteuren vergeten), 37.400 (eigen vermogen en crediteuren opgeteld), 89.800 (alles opgeteld).

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Vraagtype 3: van uitgaven naar kosten

  • Kosten = uitgaven + nog te betalen (eind) + vooruit betaald (begin) min nog te betalen (begin) min vooruit betaald (eind).

  • Vraag per bedrag: hoort het bij deze periode of bij een andere?

  • Schat vooraf: komen de kosten hoger of lager uit dan de uitgaven?

This item has no instructions

Kapsalon Roos betaalde dit jaar € 9.600 aan huur, waarvan € 1.600 vooruit betaald voor volgend jaar. Kosten dit jaar?

A

€ 9.600

B

€ 11.200

C

€ 8.000

D

€ 1.600

Syllabus 23.2. Uitwerking: 9.600 - 1.600 = 8.000. Controle: 8.000 + 1.600 = 9.600. Verwachte fouten: 9.600 (de uitgave overnemen), 11.200 (het vooruit betaalde bedrag erbij), 1.600 (alleen het vooruit betaalde deel).

Garage Peters betaalde € 5.000 aan energie. Nog te betalen: eind € 700, begin € 400. Kosten?

A

€ 5.700

B

€ 5.300

C

€ 4.700

D

€ 6.100

Syllabus 23.2. Uitwerking: 5.000 + 700 (eind) = 5.700; min 400 (begin) = 5.300. Nagerekend: 5.000 + 700 - 400 = 5.300. Verwachte fouten: 5.700 (het begin vergeten), 4.700 (plus en min omgedraaid), 6.100 (alles opgeteld).

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Vraagtype 4: opbrengsten en stelsels

  • Opbrengsten = ontvangsten + nog te ontvangen (eind) + vooruit ontvangen (begin) min nog te ontvangen (begin) min vooruit ontvangen (eind).

  • Kasstelsel: het moment van betalen telt. Periodetoerekeningsstelsel: de periode waar het bij hoort.

  • Teken bij een casus een tijdlijn: wanneer betaal of ontvang je, wanneer verbruik of lever je?

This item has no instructions

Webshop Lin ontving € 48.000. Nog te ontvangen eind € 3.500, vooruit ontvangen eind € 1.200. Opbrengsten?

A

€ 45.700

B

€ 52.700

C

€ 43.300

D

€ 50.300

Syllabus 23.2. Uitwerking: 48.000 + 3.500 = 51.500; min 1.200 = 50.300. Nagerekend: 48.000 + 3.500 - 1.200 = 50.300. Verwachte fouten: 45.700 (plus en min omgedraaid), 52.700 (alles opgeteld), 43.300 (alles afgetrokken).

Een bedrijf betaalt in december € 3.000 voor reclame die in maart loopt. Wanneer vallen uitgave en kosten?

A

Uitgave in maart, kosten in december

B

Uitgave en kosten allebei in december

C

Uitgave en kosten allebei in maart

D

Uitgave in december, kosten in maart

Syllabus 23.2 en 23.3. De uitgave is het moment van betalen (december, het kasstelsel). De kosten horen bij het verbruik, de periode waarin de reclame loopt (maart, het periodetoerekeningsstelsel). Het bedrag is in december een vooruit betaald bedrag. Verwachte fout: denken dat uitgave en kosten altijd in dezelfde periode vallen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Effect van een feit

2

Resultaat en balans

3

Van uitgaven naar kosten

4

Opbrengsten en stelsels

This item has no instructions

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Tips voor op het examen

  • Een betaling is niet altijd kosten: aflossen, privé-opnames, btw-verrekening en inkoop op voorraad raken het resultaat niet.

  • Kosten en opbrengsten die je verbruikt of levert: kosten en afschrijving verlagen het resultaat, opbrengsten verhogen het.

  • Bij uitgaven naar kosten: vooruit betaald (eind) gaat eraf, nog te betalen (eind) komt erbij. Begin is omgekeerd.

  • Controleer of je balans sluit: totaal activa is gelijk aan totaal passiva.

  • Schrijf op of je het kasstelsel of het periodetoerekeningsstelsel gebruikt, en noem het woord in je antwoord.

This item has no instructions