8.1 De Industriële Revolutie

8.1 De Industriële Revolutie
1 / 24
next
Slide 1: Slide
GeschiedenisMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

8.1 De Industriële Revolutie

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Leerdoel
Aan het eind van deze presentatie kun je herkennen en uitleggen op welke manier de Industriële Revolutie begon

Slide 3 - Slide


Engeland
rond 1700



  • Enorm groot rijk.
  • Hogere landbouwproductie
  • De bevolking van Engeland groeit.

Het Britse Rijk omstreeks 1700

Slide 4 - Slide

Veranderingen in de landbouw
Verbeteringen in voedselvoorziening:
- mensen leven langer
- meer voedsel per persoon beschikbaar
Gevolg: daling voedselprijzen
Gevolg: minder inkomsten boeren > financiele problemen
Gevolg: huisnijverheid noodzakelijk voor inkomsten

Slide 5 - Slide

Huisnijverheid
Het thuis maken van producten
Aanvoer en afvoer geregeld door ondernemers uit steden
Meer huisnijverheid = meer aanbod = lagere prijzen
Gevolg: financiele problemen boeren

Minder inkomsten landbouw + huisnijverheid > 
Boeren vertrekken naar de steden (=urbanisatie)

Slide 6 - Slide

1750

Slide 7 - Slide

Oorzaken
De vraag naar textiel stijgt.

De bodem is rijk aan steenkool en ijzererts.

Moderne transportmiddelen voor vervoer grondstoffen:
- Kanalen worden gegraven.
- Spoorwegen worden aangelegd.

Door nieuwe uitvindingen werd de productie verbeterd.

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Video

Urbanisatie
  • 1769 Verbeterde stoommachine --> minder gevaarlijk,  duur, efficiënter.

  • Machines pasten niet in een woonhuis --> fabrieken ontstaan.

Slide 10 - Slide

van kleinschalige handmatige productie in de huisnijverheid...
... naar grootschalige machinale productie in fabrieken

Slide 11 - Slide

Ook een verkeersrevolutie

Slide 12 - Slide

Industriële samenleving
  • de meeste mensen wonen in de stad
  • de meeste mensen werken in de industrie


Slide 13 - Slide

Werkomstandigheden
  • Saaaaaaaai (door arbeidsdeling/lopende band)

  • Lange werkdagen (14 uur per dag)
  • Gevaarlijk

  • Geen enkel recht

  • Lage lonen (bij fouten: loon inhouden)

Slide 14 - Slide

Kinderarbeid
  • Goedkope arbeidskrachten

  • Ze zijn nog jong: je hebt er nog lang wat aan

  • Ze zijn goedkoper

  • Hun kleine handen kunnen beter op plekken tussen machines

Slide 15 - Slide

Woonomstandigheden
  • Slechte woningen (snel gebouwd dus: haastige spoed...)

  • Panden die niet als woning zijn bedoeld (zoals kelderwoningen)

  • Dichtbij fabrieken

  • Slechte hygiëne, riolering en watervoorzieining

Slide 16 - Slide

De industriële samenleving 



De Sociale Kwestie

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide


Wat is de Sociale Kwestie? (1)
  • Sociaal: 'betrekking hebbend op de maatschappij, op het welzijn daarvan'
  • kwestie: 'probleem'

  • De slechte woon- en werkomstandigheden van de arbeiders.

  • Eind 19e eeuw, vooral in de steden.

Slide 19 - Slide


Wat is de Sociale Kwestie? (2)
  • ‘De rijken worden rijker, de armen worden armer’

  • Oorzaak:

  • Alleen ‘de rijken’ mogen stemmen
  • Tot 1887 censuskiesrecht

  • Hierdoor blijven ‘de rijken’ aan de macht

Slide 20 - Slide

Wat betekent 'sociaal' in de context van de 'sociale kwestie'?
A
Normaal doen tegen elkaar
B
Iets belangrijk vinden
C
Heeft te maken met de welvaart in de maatschappij
D
Een probleem in de maatschappij

Slide 21 - Quiz

Wat is censuskiesrecht?
A
Census betekent volkstelling, dus iedereen met een Nederlands paspoort mag stemmen
B
Alleen mannen mogen stemmen
C
Census betekent opleiding, dus iedereen met een diploma
D
Alleen rijke mannen mogen stemmen

Slide 22 - Quiz

Let op: De weekinkomsten van een mannelijke arbeider
was ongeveer 900 cent (9 gulden)

Slide 23 - Slide

Sociale Wetten
Wetten die het leven van de mensen/arbeiders verbeterden

Slide 24 - Slide