Examen 2022 KB

Examen 2022 KB
1 / 15
next
Slide 1: Slide
MentorlesVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

Examen 2022 KB

Slide 1 - Slide

1. Jongeren worden in hun ontwikkeling op verschillende manieren beïnvloed. Eén daarvan heet identificatie. Wat wordt bedoeld met identificatie?
A
Dat jongeren hun gedag aanpassen als ze door hun omgeving worden beloond.
B
Dat jongeren hun gedrag aanpassen, omdat ze bepaalde kenmerken van zichzelf herkennen bij anderen.
C
Dat jongeren onafhankelijk willen zijn en zich juist niet laten beïnvloeden door hun omgeving.
D
Dat jongeren zich in de puberteit willen afzetten tegen het gedrag van hun ouders.

Slide 2 - Quiz

2. Welke zin is onjuist?
A
gedrag is voornamelijk aangeboren.
B
Gedrag van 'bekende' mensen wordt makkelijk over genomen.
C
Het aanleren van waarden maakt deel uit van het socialisatieproces.
D
Socialisatie is iets wat je hele leven gebeurd

Slide 3 - Quiz

3. Als in een vriendengroep de regel is dat niets wat de groep vertrouwelijk bespreekt, wordt doorverteld aan anderen, dan is hier sprake van:
A
een norm, die bij iedere vriendengroep hoort.
B
een norm, die hoort bij de waarde betrouwbaarheid.
C
een waarde, bij de norm dat iedereen zich aan die afspraak houdt
D
een waarde, bij de norm eerlijkheid.

Slide 4 - Quiz

4. Welke van de volgende stellingen is juist of onjuist? Leerling Mehmet zegt: “Het socialisatieproces stopt aan het einde van de middelbare school.” Zijn klasgenoot Abukar zegt: “Dit is …. I niet juist, omdat het ook gaat om beïnvloeding door anderen en dat heb je een leven lang.” II juist, omdat er daarna geen leraren meer zijn waar je naar moet luisteren.”
A
Alleen stelling l is juist.
B
Alleen stelling ll is juist.
C
Stelling l en ll zijn beide juist
D
Stelling l en ll zijn beide onjuist.

Slide 5 - Quiz

5. Als bij eerlijkheid hoort ‘niet liegen’, dan hebben we het over de maatschappijleerbegrippen:
A
aangeboren en aangeleerd
B
belangen en belangengroepen
C
macht en gezag
D
waarde en norm

Slide 6 - Quiz

6. Welke van de volgende stellingen is juist of onjuist? I Een subcultuur kan helemaal losstaan van een dominante cultuur. II Sommige subculturen zijn trendgevoelig. Bijvoorbeeld, als bepaalde kleding in de mode is, dan kan je dit bij subculturen terugzien.
A
Alleen stelling l is juist.
B
Alleen stelling ll is juist.
C
C Stelling l en ll zijn beide juist.
D
Stelling l en ll zijn beide onjuist.

Slide 7 - Quiz

7. Klimaatverandering is een bekend maatschappelijk probleem in de 21e eeuw. Wat is geen kenmerk van dit maatschappelijk probleem?
A
De mensen hebben verschillende meningen over het oplossen van het klimaatprobleem.
B
De overheid bemoeit zich met het oplossen van het probleem.
C
De politiek ziet klimaatverandering vooral als een persoonlijk probleem
D
In de media komen we veel berichten tegen over het klimaatprobleem.

Slide 8 - Quiz

8. Individuele en collectieve belangen kunnen met elkaar botsen. Welke van de onderstaande combinaties zijn mogelijk een belangentegenstelling? 1 beroepssoldaat – vrede en veiligheid als de kern van het overheidsbeleid 2 het drinken van alcohol – hogere leeftijdsgrens voor alcoholconsumptie 3 hoge cijfers op school – goede onderwijzers voor de klas 4 zwart werken – inkomstenbelasting moeten betalen
A
combinatie 1 en 2
B
combinatie 2 en 3
C
combinatie 2 en 4
D
combinatie 3 en 4

Slide 9 - Quiz

9. Werknemers en werkgevers hebben niet alleen tegengestelde belangen, maar ook tegengestelde machtsmiddelen. Welke combinatie is juist?
A
Werknemers hebben het machtsmiddel aantal en werkgevers het machtsmiddel geld.
B
Werknemers hebben het machtsmiddel kennis en werkgevers het machtsmiddel aantal.
C
Werknemers hebben het machtsmiddel lichamelijke kracht en werkgevers het machtsmiddel status.
D
Werknemers hebben het machtsmiddel status en werkgevers het machtsmiddel functie.

Slide 10 - Quiz

10. Welke van de volgende stellingen is juist of onjuist? I Het gedrag van mensen wordt voor een groot deel bepaald door geschreven regels. II Het gedrag van mensen wordt ook voor een belangrijk deel bepaald door ongeschreven regels.
A
Alleen stelling l is juist
B
Alleen stelling ll is juist.
C
Stelling l en ll zijn beide juist.
D
Stelling l en ll zijn beide onjuist.

Slide 11 - Quiz

11. Sociale controle is
A
negatief en hoort bij de dominante cultuur.
B
positief en hoort bij een subcultuur.
C
positief of negatief en is niet cultuurgebonden.
D
positief of negatief en is een vorm van discriminatie.

Slide 12 - Quiz

12. Op de arbeidsmarkt is sprake van sociale ongelijkheid. Wat bedoelen we daarmee?
A
Dat er niet genoeg sociale banen zijn voor iedereen die dat wil.
B
Dat het niet sociaal is dat sommige mensen meer verdienen dan anderen.
C
Dat niet iedereen dezelfde kansen heeft om een baan te vinden.
D
Dat ongelijkheid mensen sociaal maakt op de arbeidsmarkt.

Slide 13 - Quiz

13. Wie bedoelen we in Nederland met ‘de overheid’?
A
Alle mensen die in Den Haag werken.
B
Alle politici en ambtenaren in Nederland.
C
De beroepsbevolking van Nederland.
D
De mensen in Nederland die stemrecht hebben

Slide 14 - Quiz

14. De overheid kan subsidie verstrekken aan hulporganisaties om verschillende redenen. Welke voorbeelden zijn juist? De overheid verstrekt subsidies aan hulporganisaties die zich bezighouden met: 1 het isoleren van bepaalde bevolkingsgroepen in de samenleving. 2 het meer laten meedoen van eenzame ouderen in de samenleving. 3 het promoten van het lidmaatschap van een politieke partij. 4 het realiseren van een goede band tussen etnische groepen.
A
1, 2 en 3 zijn juist.
B
2, 3 en 4 zijn juist.
C
Alleen 1 en 3 zijn juist.
D
Alleen 2 en 4 zijn juist.

Slide 15 - Quiz