4.7 grammatica

1 / 6
next
Slide 1: Video
alle vakkenVoortgezet speciaal onderwijsMiddelbare schoolLeerjaar 1

This lesson contains 6 slides, with text slides and 1 video.

Items in this lesson

Slide 1 - Video



Voorbeelden

splitsbare werkwoorden

Slide 2 - Slide

splitsbare werkwoorden

Slide 3 - Slide

Splitsbaar werkwoord of voorzetsel?


Ik eet de appel op.

Ik ga de appel opeten.

Bekijk altijd eerst wat het hele werkwoord is...

Slide 4 - Slide

Soms zie je niet meteen of een woord een voorzetsel is, of deel van een splitsbaar werkwoord is. Kijk daarom eerst goed wat het hele werkwoord is.


Slide 5 - Slide

Vraag: is het woord onderdeel van een splitsbaar werkwoord of een los voorzetsel?  
Voorbeeld 1 
Zin: Achter mijn laptop pas ik mijn antwoorden aan.  
Bepaal wat het hele werkwoord (infinitief) is.  
Infinitief: aanpassen.  
Achter =  los voorzetsel 
Aan  = onderdeel van het splitsbare werkwoord aanpassen
Voorbeeld 2:

Voor ik op vakantie ga, berg ik al mijn spulletjes goed op
Hele werkwoorden: gaan, opbergen
(en niet opgaan, opbergen) 

De eerste op = los voorzetsel
De tweede op = onderdeel van het splitsbare werkwoord opbergen

Slide 6 - Slide