This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 50 min
Items in this lesson
NaSk Hoofdstuk 2.
Herhaling voor de eindtoets
Paragraaf 1
- Stofeigenschappen
- Gevarensymbolen
Slide 1 - Slide
Stofeigenschappen
Aan de stofeigenschappen kun je een stof herkennen.
kleur
geur
smaak (nooit proeven!)
Dichtheid
brandbaarheid
kookpunt en smeltpunt
Slide 2 - Slide
Gevarensymbolen
Leer deze symbolen uit je hoofd.
Ook de betekenis natuurlijk..
H zinnen geven gevaar aan. P zinnen geven voorzorgs-
maatregelen aan
Slide 3 - Slide
Wat betekent dit gevarensymbool?
A
Ontvlambaar
B
explosief
C
schadelijk
D
giftig
Slide 4 - Quiz
Een stof herken je aan de stofeigenschappen.
Sleep achter elke stof wat de belangrijkste stofeigenschap is.
Kleur
Geur
Giftigheid
Smaak
Smeltpunt
Parfum
Soldeertin
Rattengif
Lippenstift
Cola
Aardgas
Slide 5 - Drag question
“Magnetron veilig plastic” is ontworpen om te gebruiken in de magnetron. Welke stofeigenschap moet “magnetron veilig plastic” zeker hebben?
A
grote dichtheid
B
lage dichtheid
C
kleurloos
D
hitte bestendig
Slide 6 - Quiz
Wat betekent dit pictogram?
A
Corrosief
B
Explosief
C
Brandbevorderend
D
Brandbaar
Slide 7 - Quiz
Dit symbool betekent:
A
Explosief
B
Schadelijk
C
Ontvlambaar
D
Giftig
Slide 8 - Quiz
Paragraaf 2
- Zuivere stof (scheikundig)
- Mengsel
* Oplossing
* Suspensie
Slide 9 - Slide
Zuivere stof en mengsel
Zuivere stof (scheikundig)
Eén enkele stof, waarin geen andere stof voorkomt.
Mengsels bestaan uit
verschillende
soorten stoffen.
Slide 10 - Slide
Soorten mengsels
Oplossing:
Je kunt de afzonderlijke stoffen niet
zien.
Altijd helder, maar kan wel
een kleurtje hebben!
Slide 11 - Slide
Suspensie:
Vloeistof met zwevende vaste stof.
Altijd troebel.
Slide 12 - Slide
Stoffen:
- Zuivere stoffen: bestaan uit 1 soort moleculen
- Mengsels: bestaan uit 2 of meer verschillende
soorten moleculen
- Oplossing: altijd helder
- Suspensie: altijd troebel
Slide 13 - Slide
Je roert olie en water door elkaar. Je stopt met roeren. Wat gebeurt er?
A
De olie drijft weer snel op het water
B
Er blijven oliedruppeltjes in het water zweven
C
Het water drijft weer snel op de olie
D
Er blijven waterdruppeltjes in de olie zweven.
Slide 14 - Quiz
Wat past NIET bij een suspensie?
A
Het is helder
B
De vaste stof zakt naar de bodem.
C
krijt in water
D
vaste stof die niet oplost in vloeistof
Slide 15 - Quiz
Een mengsel bestaat uit
A
slechts één soort moleculen
B
twee of meerdere soorten moleculen
C
niet uit moleculen
Slide 16 - Quiz
Leg uit waarom zoutwater een oplossing is.
A
zoutwater bevat zwevende deeltjes , is troebel en ontmengt
B
zoutwater is helder en blijft perfect gemengd
Slide 17 - Quiz
Mengsels scheiden
- Filteren
- Extraheren
Slide 18 - Slide
Mengsels scheiden
Filteren is scheiden op basis van
deeltjesgrootte.
Stof die achterblijft in het filter
is residu (grote deeltjes).
Stof die door het filter
gaat is filtraat (kleine deeltjes).
Slide 19 - Slide
Extraheren betekent letterlijk “eruit trekken”.
Door het toevoegen van een oplosmiddel haal je stoffen uit het mengsel (die lossen op in het oplosmiddel).
Bij thee zetten is water het oplosmiddel.
Theeblaadjes zijn residu. Theezakje is het filter.
De thee is het filtraat.
Bij oplossen van bijv. vetten gebruik je alcohol.
Slide 20 - Slide
Je hebt 3 mengsels die je gaat filtreren. Een mengsel van water met zout, een mengsel van water met rode kleurstof en water met kalk. Bij welk mengsel was er een residu?
A
water met zout
B
water met rode kleurstof
C
water met kalk
Slide 21 - Quiz
Een suspensie kun je scheiden door filtreren. Welke reden klopt niet?
A
Suspensie bevat zwevende vaste stof
B
De vaste deeltjes blijven als residu in het filter.
C
Het oplosmiddel gaat door filter en is filtraat
D
De suspensie is altijd helder
Slide 22 - Quiz
1450 ml is ?
A
1450 L
B
14,5 L
C
145 L
D
1,45 L
Slide 23 - Quiz
Koffie zetten is een voorbeeld van extraheren. Hierbij is water .........
A
het residu
B
het filtraat
C
het oplosmiddel
D
de opgeloste stof
Slide 24 - Quiz
Koffie zetten is een voorbeeld van extraheren. Hierbij is de koffieprut .........
A
het residu
B
het filtraat
C
het oplosmiddel
D
de opgeloste stof
Slide 25 - Quiz
Koffie zetten is een voorbeeld van extraheren. Hierbij is de koffie .........
A
het residu
B
het filtraat
C
het oplosmiddel
D
de opgeloste stof
Slide 26 - Quiz
Massa en volume
- Massa
- Volume
* vloeistof
* rechthoekig voorwerp
* cilinder
* andere (onregelmatige) voorwerpen
Slide 27 - Slide
Massa
Massa is een maat voor de hoeveelheid stof. Eenheid is gram of kilogram.
Twee keer zoveel massa is ook twee keer zoveel stof.
Let op: Massa is niet hetzelfde als gewicht.
Massa meet je met een balans.
Slide 28 - Slide
Volume
Volume geeft aan hoeveel ruimte de stof inneemt.
Slide 29 - Slide
Volume van een vloeistof
Met een maatcilinder bepaal je het volume van een vloeistof.
Eenheid is bijvoorbeeld liter, milliliter (vloeistoffen) of kubieke centimeter en kubieke decimeter.
Uit je hoofd leren: 1 cm3 = 1 mL
1 dm3 = 1 L (=1000 cm3 = 1000 mL)
Slide 30 - Slide
Volume van een rechthoekig voorwerp
Dit bereken je door:
Volume = lengte x breedte x hoogte
V = l · b · h
l, b en h in cm, volume in cm3
l, b en h in m, volume in m3
Slide 31 - Slide
Volume van een cilinder
Dit bereken je door:
V = π · r2 · h
waarbij r is de straal
r en h in cm, volume in cm3
r en h in m, volume in m3
Slide 32 - Slide
Onderdompelmethode
Volume van onregelmatig gevormde
voorwerpen bepaal je met de
onderdompel methode.
Vvoorwerp = Veind - Vbegin
Slide 33 - Slide
De formule voor het berekenen van het volume van een rechthoekig voorwerp is:
A
V = l x b x m
B
V = b x h x s
C
V = l x h x i
D
V = l x b x h
Slide 34 - Quiz
Mike heeft de afmetingen van een blokje bepaald. l=6cm, b=3 cm, h=1 cm. Wat is het volume in mL?
A
18 cm3
B
18 mL
C
18 L
D
18 dm3
Slide 35 - Quiz
Hoeveel kg is 25 g?
A
0,025 kg
B
0,250 kg
C
0,0025 kg
D
2,5 kg
Slide 36 - Quiz
Hoeveel is 25 cm ?
3
A
0,025 mL
B
0,250 mL
C
0,0025 L
D
25 mL
Slide 37 - Quiz
Hoeveel ml zit in de maatcilinder?
A
22 ml
B
23 ml
C
24 ml
Slide 38 - Quiz
16 mL =
A
16 dm3
B
16 cm2
C
16 m3
D
16 cm3
Slide 39 - Quiz
Wat is het volume van het blokje?
A
10 ml
B
20 ml
C
19 ml
D
9 ml
Slide 40 - Quiz
De cilinder heeft een hoogte van 1,5 m en een diameter van 0,82 dm. Bereken het volume in dm³ van een cilinder. Rond het antwoord af op een decimaal.
A
7921,5 dm³
B
31686,1 dm³
C
31,7 dm³
D
7,9 dm³
Slide 41 - Quiz
Dichtheid
- lichte en zware stoffen
- dichtheid berekenen ( ρ = m : V )
Slide 42 - Slide
Dichtheid
Stoffen op een eerlijke manier met elkaar vergelijken.
Massa bepalen van precies een even groot stuk, bijv. 1 cm3.
Dichtheid is een stofeigenschap.
Eenheid van dichtheid is massa per bepaald volume
Dichtheid = massa : volume
Symbool voor dichtheid is de Griekse letter rho: ρ
ρ = m : V (ombouwen met 3 = 6 : 2)
Slide 43 - Slide
Verandert de dichtheid van een stof als je de vorm verandert?
Bijvoorbeeld: verandert de dichtheid van een vel papier als je het papier in kleine stukjes scheurt?
Slide 44 - Slide
Hoe bepaal je de dichtheid van een stof? dichtheid =
A
massa x volume
B
volume x massa
C
massa : volume
D
volume : massa
Slide 45 - Quiz
Een stuk plastic zinkt als het in een vloeistof wordt gegooid. De dichtheid van het plastic is......
A
Groter dan de dichtheid van de vloeistof
B
even groot als dichtheid van de vloeistof
C
kleiner dan de dichtheid van de vloeistof
D
Dat weet je niet met deze gegevens
Slide 46 - Quiz
De massa van een bout is 163,8 g. Het volume van de bout is 21 mL. Wat is de dichtheid?