Geld in het Engels

Geld in het Engels

1 / 21
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEngelsPraktijkonderwijsLeerjaar 4

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Geld in het Engels

This item has no instructions

Lesdoel

Ik kan termen over geld in het Engels begrijpen en gebruiken.

This item has no instructions

Welke Engelse geldwoorden ken jij al?

Gebruik de antwoorden als start: herkenbare woorden zoals money, euro, cash of shop mogen allemaal. Laat leerlingen ook elkaars woorden hardop zeggen.

Het woord money

  • money = geld

  • Je gebruikt money als algemeen woord

  • Voorbeeld: I have money.

Benadruk dat money een verzamelwoord is. Leerlingen hoeven hier nog geen ingewikkelde grammatica te kennen; het gaat om betekenis en herkenning.

Munten en briefgeld

  • coin = munt

  • coins = munten

  • note = bankbiljet

  • Voorbeeld: This is a coin.

  • Voorbeeld: This is a note.

Gebruik eventueel echt geld of afbeeldingen. Houd het simpel: coin en note als basiswoorden.

Betalen

  • pay = betalen

  • price = prijs

  • Voorbeeld: I pay five euros.

  • Voorbeeld: What is the price?

Wijs op verschil tussen het werkwoord pay en het zelfstandig naamwoord price.

Kopen en verkopen

  • buy = kopen

  • sell = verkopen

  • Voorbeeld: I buy a drink.

  • Voorbeeld: They sell food.

Dit is een nuttig contrastpaar. Laat buy en sell steeds samen terugkomen.

In een winkel

  • shop = winkel

  • customer = klant

  • cashier = kassamedewerker

  • Deze woorden passen vaak bij geld

Houd cashier concreet als 'iemand bij de kassa'. Vermijd te veel extra winkelwoordenschat.

Welk Engels woord betekent 'munt'?

A

price

B

coin

C

note

D

money

Controleert de basiswoorden money, coin en note. 'price' is een plausibele afleider uit de slides over betalen.

Vul de goede woorden in

In a shop, a customer can buy food. A cashier can take the money.

shop
customer
buy
cashier
sell
price
coin
note

Alle woorden komen letterlijk uit de eerste inhoudsblok-slides. De volgorde is door de betekenis duidelijk vastgelegd.

Sparen en uitgeven

  • save = sparen

  • spend = uitgeven

  • Voorbeeld: I save money.

  • Voorbeeld: I spend money on food.

Nog een contrastpaar. Dit helpt leerlingen geldwoorden ook in simpele zinnen te gebruiken.

Contant of met pin

  • cash = contant geld

  • card = pas

  • Voorbeeld: I pay cash.

  • Voorbeeld: I pay by card.

Als leerlingen 'pinnen' zeggen, kun je uitleggen dat Engels vaak 'pay by card' gebruikt.

Bedragen zeggen

  • euro = euro

  • cent = cent

  • Voorbeeld: two euros

  • Voorbeeld: fifty cents

  • Je gebruikt deze woorden om een prijs te noemen

Spreek de voorbeelden hardop uit. Het doel is herkenning en eenvoudige productie, niet perfecte uitspraak.

Nuttige zinnen

  • How much is it? = Hoeveel kost het?

  • It is five euros. = Het kost vijf euro.

  • I want to buy this. = Ik wil dit kopen.

  • I have no money. = Ik heb geen geld.

Deze slide brengt losse woorden samen in functionele zinnen. Dat past bij het taaldoel: woorden begrijpen én gebruiken.

Wat betekent 'spend'?

A

sparen

B

betalen

C

uitgeven

D

verkopen

Toetst het contrastpaar save/spend en houdt de afleiders binnen hetzelfde thema van geldhandelingen.

Vul de goede woorden in

I save money. In the shop, I can pay by card or with cash. The price is two euros and fifty cents.

save
card
cash
euros
spend
coin
note
customer

Deze oefening bundelt het tweede subtopic: sparen/uitgeven, cash/card en bedragen noemen.

Welk Engels geldwoord onthoud jij?

Laat leerlingen een korte zin of woord geven over wat ze geleerd hebben, bijvoorbeeld money, coin, pay by card, How much is it, of een eenvoudige voorbeeldzin.

Wat hielp jou vandaag het best?

Bespreek welke werkvorm hielp: voorbeelden, plaatjes, herhalen, samen hardop zeggen, of de zinnen op de slides.

Woordenlijst

money - geld

coin - munt

note - bankbiljet

pay - betalen

price - prijs

buy - kopen

sell - verkopen

This item has no instructions

Woordenlijst

shop - winkel

customer - klant

cashier - kassamedewerker

save - sparen

spend - uitgeven

cash - contant geld

card - pas

This item has no instructions

Woordenlijst

euro - euro

cent - cent

How much is it? - Hoeveel kost het?

I want to buy this. - Ik wil dit kopen.

I have no money. - Ik heb geen geld.

This item has no instructions