Geld in het Engels
Geld in het Engels
This item has no instructions
Lesdoel
Ik kan termen over geld in het Engels begrijpen en gebruiken.
This item has no instructions
Welke Engelse geldwoorden ken jij al?
Gebruik de antwoorden als start: herkenbare woorden zoals money, euro, cash of shop mogen allemaal. Laat leerlingen ook elkaars woorden hardop zeggen.
Het woord money
money = geld
Je gebruikt money als algemeen woord
Voorbeeld: I have money.
Benadruk dat money een verzamelwoord is. Leerlingen hoeven hier nog geen ingewikkelde grammatica te kennen; het gaat om betekenis en herkenning.
Munten en briefgeld
coin = munt
coins = munten
note = bankbiljet
Voorbeeld: This is a coin.
Voorbeeld: This is a note.
Gebruik eventueel echt geld of afbeeldingen. Houd het simpel: coin en note als basiswoorden.
Betalen
pay = betalen
price = prijs
Voorbeeld: I pay five euros.
Voorbeeld: What is the price?
Wijs op verschil tussen het werkwoord pay en het zelfstandig naamwoord price.
Kopen en verkopen
buy = kopen
sell = verkopen
Voorbeeld: I buy a drink.
Voorbeeld: They sell food.
Dit is een nuttig contrastpaar. Laat buy en sell steeds samen terugkomen.
In een winkel
shop = winkel
customer = klant
cashier = kassamedewerker
Deze woorden passen vaak bij geld
Houd cashier concreet als 'iemand bij de kassa'. Vermijd te veel extra winkelwoordenschat.
Welk Engels woord betekent 'munt'?
price
coin
note
money
Controleert de basiswoorden money, coin en note. 'price' is een plausibele afleider uit de slides over betalen.
Vul de goede woorden in
In a shop, a customer can buy food. A cashier can take the money.
Alle woorden komen letterlijk uit de eerste inhoudsblok-slides. De volgorde is door de betekenis duidelijk vastgelegd.
Sparen en uitgeven
save = sparen
spend = uitgeven
Voorbeeld: I save money.
Voorbeeld: I spend money on food.
Nog een contrastpaar. Dit helpt leerlingen geldwoorden ook in simpele zinnen te gebruiken.
Contant of met pin
cash = contant geld
card = pas
Voorbeeld: I pay cash.
Voorbeeld: I pay by card.
Als leerlingen 'pinnen' zeggen, kun je uitleggen dat Engels vaak 'pay by card' gebruikt.
Bedragen zeggen
euro = euro
cent = cent
Voorbeeld: two euros
Voorbeeld: fifty cents
Je gebruikt deze woorden om een prijs te noemen
Spreek de voorbeelden hardop uit. Het doel is herkenning en eenvoudige productie, niet perfecte uitspraak.
Nuttige zinnen
How much is it? = Hoeveel kost het?
It is five euros. = Het kost vijf euro.
I want to buy this. = Ik wil dit kopen.
I have no money. = Ik heb geen geld.
Deze slide brengt losse woorden samen in functionele zinnen. Dat past bij het taaldoel: woorden begrijpen én gebruiken.
Wat betekent 'spend'?
sparen
betalen
uitgeven
verkopen
Toetst het contrastpaar save/spend en houdt de afleiders binnen hetzelfde thema van geldhandelingen.
Vul de goede woorden in
I save money. In the shop, I can pay by card or with cash. The price is two euros and fifty cents.
Deze oefening bundelt het tweede subtopic: sparen/uitgeven, cash/card en bedragen noemen.
Welk Engels geldwoord onthoud jij?
Laat leerlingen een korte zin of woord geven over wat ze geleerd hebben, bijvoorbeeld money, coin, pay by card, How much is it, of een eenvoudige voorbeeldzin.
Wat hielp jou vandaag het best?
Bespreek welke werkvorm hielp: voorbeelden, plaatjes, herhalen, samen hardop zeggen, of de zinnen op de slides.
Woordenlijst
money - geld
coin - munt
note - bankbiljet
pay - betalen
price - prijs
buy - kopen
sell - verkopen
This item has no instructions
Woordenlijst
shop - winkel
customer - klant
cashier - kassamedewerker
save - sparen
spend - uitgeven
cash - contant geld
card - pas
This item has no instructions
Woordenlijst
euro - euro
cent - cent
How much is it? - Hoeveel kost het?
I want to buy this. - Ik wil dit kopen.
I have no money. - Ik heb geen geld.
This item has no instructions