This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 45 min
Items in this lesson
Herhalingsles Proactief beveiligen
QUIZ -
Proactief beveiligen
Slide 1 - Slide
Herhalingsles Proactief beveiligen
Dreigingsherkenning & AMO
Slide 2 - Slide
1. Je ziet een persoon langdurig bij een ingang staan zonder duidelijk doel. Hij belt niet, kijkt vaak om zich heen en lijkt iets te noteren. Wat is de juiste eerste stap?
A
Direct de politie bellen
B
De persoon confronteren met zijn gedrag
C
Observeren en beoordelen of het gedrag een verdachte indicator vormt
D
Niets doen; het gedrag is niet verboden
Slide 3 - Quiz
2. Een verdachte indicator is pas relevant als...
A
Het gedrag agressief of intimiderend is.
B
Het gedrag te koppelen is aan een mogelijke AMO.
C
Het gedrag niet eerder is waargenomen.
D
Het gedrag tegen de huisregels ingaat.
Slide 4 - Quiz
3. Tijdens een SQ-gesprek merk je dat iemand een uitgebreid, onsamenhangend verhaal vertelt en veel details toevoegt. Wat kan dit betekenen?
A
De persoon is zenuwachtig en liegt mogelijk.
B
De persoon is goed geïnformeerd.
C
De persoon probeert behulpzaam te zijn.
D
De persoon wil tijd rekken voor meer uitleg.
Slide 5 - Quiz
4. Wat is het belangrijkste doel van een dreigingsassessment?
A
De kans op succes van een dader berekenen.
B
Beoordelen of een afwijking van de norm gekoppeld kan worden aan een AMO.
C
Het gedrag van bezoekers registreren.
D
Rapporteren aan het management.
Slide 6 - Quiz
5. Een persoon heeft een legitieme reden om aanwezig te zijn, maar zijn gedrag wijkt sterk af van normaal. Wat doe je?
A
De persoon direct wegsturen.
B
De leidinggevende waarschuwen zonder iets te zeggen.
C
Een SQ-gesprek voeren om de indicatoren te verifiëren.
D
De persoon laten begaan.
Slide 7 - Quiz
Herhalingsles Proactief beveiligen
SOP & Handelen
Slide 8 - Slide
6. Waarom is het belangrijk dat een SOP organisatie-specifiek is?
A
Omdat elke organisatie een eigen managementstructuur heeft
B
Omdat elke beveiliger anders werkt
C
Omdat het SVPB dat voorschrijft
D
Omdat de te beschermen belangen, risico’s en AMO’s per omgeving verschillen
Slide 9 - Quiz
7. Wat doe je als je tijdens het uitvoeren van je SOP merkt dat een situatie escaleert?
A
Direct improviseren zonder overleg.
B
Stoppen met handelen tot er overleg is.
C
Wachten op toestemming van politie.
D
Altijd handelen binnen de kaders van de SOP en daarna rapporteren.
Slide 10 - Quiz
8. Wat beschrijft de risicopositie in een SOP?
A
De AMO’s en verdachte indicatoren die van toepassing zijn op een gebied.
B
De persoon die verantwoordelijk is voor de beveiliging.
C
De kans dat een dreiging zich voordoet.
D
De volgorde van acties bij incidenten.
Slide 11 - Quiz
Herhalingsles Proactief beveiligen
Red Teaming & Evaluatie
Slide 12 - Slide
9. Wat is het belangrijkste doel van interne Red Teaming?
A
De beveiligers confronteren met hun eigen kwetsbaarheden.
B
De effectiviteit van camera’s testen.
C
De externe beveiliging controleren.
D
Nieuwe AMO’s ontwikkelen.
Slide 13 - Quiz
10. Waarom is supervisie door het White Team bij Red Teaming essentieel?
A
Om alle communicatie te blokkeren.
B
Om de resultaten te beoordelen.
C
Om de oefening veilig te laten verlopen en te kunnen bijsturen.
D
Om het Red Team aan te sturen bij de aanval.
Slide 14 - Quiz
11. Wat is een risico van het te snel trekken van conclusies bij verdachte indicatoren?
A
Je kunt een dader afschrikken.
B
Je kunt onschuldige personen onterecht verdenken.
C
Je verspilt te veel tijd.
D
Je overtreedt de wet.
Slide 15 - Quiz
12. Waarom is het kennen van de ‘norm van de omgeving’ cruciaal voor een proactieve beveiliger?
A
Omdat alleen dan afwijkingen als verdacht kunnen worden herkend.
B
Omdat het helpt bij personeelsplanning.
C
Omdat het verplicht is volgens de SVPB.
D
Omdat het inzicht geeft in bezoekersaantallen.
Slide 16 - Quiz
13. Wat is een belangrijk verschil tussen een naïeve en deels naïeve persoon?
A
Naïef weet wat hij doet, deels naïef niet.
B
Naïef handelt altijd bewust.
C
Deels naïef heeft kwade intentie, naïef niet.
D
Er is geen verschil.
Slide 17 - Quiz
13. Wat is een belangrijk verschil tussen een naïeve en deels naïeve persoon?
A
Deels naïef heeft kwade intentie, naïef niet.
B
Naïef weet wat hij doet, deels naïef niet
C
Naïef handelt altijd bewust.
D
Er is geen verschil.
Slide 18 - Quiz
14. Tijdens SQ merk je micro-expressies bij een gesprekspartner. Wat betekent dit?
A
De persoon begrijpt de vraag niet.
B
De persoon is moe.
C
De persoon wil meewerken.
D
De persoon liegt of ervaart stress, wat kan wijzen op een onderliggende intentie.
Slide 19 - Quiz
15. Wat gebeurt er als een dreiging ‘ontkracht’ wordt na SQ?
A
De verdachte indicator blijft bestaan.
B
Er is een logische verklaring gevonden waardoor de dreiging vervalt.
C
De persoon wordt alsnog aangehouden.
D
Er volgt altijd een rapport aan de politie.
Slide 20 - Quiz
Door deze quiz zijn de behandelde onderwerpen voor mij duidelijker geworden