Oefentoets 1 Rijprocedure A

De Rijprocedure is in de eerste plaats bestemd voor
A
De rijinstructeur en CBR-leerling.
B
De examinator en de rijinstructeur
C
De examinator en de CBR-leerling
1 / 52
next
Slide 1: Quiz
RijopleidingMiddelbare schoolmavoLeerjaar 1

This lesson contains 52 slides, with interactive quizzes.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

De Rijprocedure is in de eerste plaats bestemd voor
A
De rijinstructeur en CBR-leerling.
B
De examinator en de rijinstructeur
C
De examinator en de CBR-leerling

Slide 1 - Quiz

Motivatie: de rijprocedure is in de eerste plaats bestemd voor de examinator en de rijinstructeur. Het bevat een beschrijving van het rijgedrag aan de hand van examenonderdelen en onderwerpen van beoordeling, zoals deze voorkomen op het uitslagformulier van het CBR praktijkexamen.
Wat" wordt "waar" besproken in de Rijprocedure A? Zet met behulp van de pijlen de hoofdstukken naast de beschreven inhoud. Activeer eerst het woord of woorden met de cursor.
A

Slide 2 - Quiz

This item has no instructions

De rijexaminator bepaalt of de leerling geslaagd is aan de hand van het getoonde gedrag van de kandidaat. Hij stelt vast of dit gedrag overeenkomstig de rijprocedure is en zo ja in welke mate het gedrag afwijkt van hetgeen in de rijprocedure is opgenomen. Slagen of zakken hangt af van:
A
De ernst en de aard van het afwijkend gedrag.
B
De ernst van het afwijkend gedrag.
C
De aard van het afwijkend gedrag.

Slide 3 - Quiz

Motivatie: De ernst en de aard van de afwijking, en ook hoe vaak een afwijking voor komt is een reden om de kandidaat te laten zakken.
Moet de kleding van de examenkandidaat retro reflecterende eigenscha hebben?
A
Ja
B
Nee

Slide 4 - Quiz

Motivatie Geen verplichting maar wordt wel geadviseerd.
Wat hoort waar?
Clusters met bijzondere verrichtingen. Zet de bijzonder verrichtingen in het goede cluster.
Cluster 1
A
Lopend achteruit parkeren
B
Langzame slalom Denkbeeldige acht Halve draai Stapvoets rijden Wegrijden uit parkeervak Uitwijkoefening
C
Snelle slalom Vertragingsoefening Noodstop
D
Precisiestop stopproef

Slide 5 - Quiz

Motivatie: Door de gedetailleerde beschrijving in termen van leerinhoud, gedrag, condities en minimumprestatie hebben de rijprocedures het karakter van leerdoelen. De examinator stelt vast in hoeverre het getoonde gedrag overeenkomt danwel afwijkt van hetgeen in de rijprocedure beschreven is.
Wat hoort waar?
Clusters met bijzondere verrichtingen. Zet de bijzonder verrichtingen in het goede cluster.
Cluster 2
A
Lopend achteruit parkeren
B
Langzame slalom Denkbeeldige acht Halve draai Stapvoets rijden Wegrijden uit parkeervak
C
Snelle slalom Vertragingsoefening Uitwijkoefening
D
Precisiestop stopproef Noodstop

Slide 6 - Quiz

Motivatie: Door de gedetailleerde beschrijving in termen van leerinhoud, gedrag, condities en minimumprestatie hebben de rijprocedures het karakter van leerdoelen. De examinator stelt vast in hoeverre het getoonde gedrag overeenkomt danwel afwijkt van hetgeen in de rijprocedure beschreven is.
Wat hoort waar?
Clusters met bijzondere verrichtingen. Zet de bijzonder verrichtingen in het goede cluster.
Cluster 3
A
Lopend achteruit parkeren
B
Langzame slalom Denkbeeldige acht Halve draai Stapvoets rijden Wegrijden uit parkeervak
C
Snelle slalom Vertragingsoefening Uitwijkoefening
D
Precisiestop stopproef Noodstop

Slide 7 - Quiz

Motivatie: Door de gedetailleerde beschrijving in termen van leerinhoud, gedrag, condities en minimumprestatie hebben de rijprocedures het karakter van leerdoelen. De examinator stelt vast in hoeverre het getoonde gedrag overeenkomt danwel afwijkt van hetgeen in de rijprocedure beschreven is.
Wat hoort waar?
Clusters met bijzondere verrichtingen. Zet de bijzonder verrichtingen in het goede cluster.
Cluster 4
A
Lopend achteruit parkeren
B
Langzame slalom Denkbeeldige acht Halve draai Stapvoets rijden Wegrijden uit parkeervak
C
Snelle slalom Vertragingsoefening Uitwijkoefening
D
Precisiestop stopproef Noodstop

Slide 8 - Quiz

Motivatie: Door de gedetailleerde beschrijving in termen van leerinhoud, gedrag, condities en minimumprestatie hebben de rijprocedures het karakter van leerdoelen. De examinator stelt vast in hoeverre het getoonde gedrag overeenkomt danwel afwijkt van hetgeen in de rijprocedure beschreven is.
De rijprocedure is te beschouwen als.
A
Het lesplan voor de A- opleiding.
B
De leergang voor de A opleiding.
C
Het leerdoeldocument voor de A-opleiding.

Slide 9 - Quiz

Motivatie: Door de gedetailleerde beschrijving in termen van leerinhoud, gedrag, condities en minimumprestatie hebben de rijprocedures het karakter van leerdoelen. De examinator stelt vast in hoeverre het getoonde gedrag overeenkomt danwel afwijkt van hetgeen in de rijprocedure beschreven is.
De kandidaat mag bij elke bijzondere verrichting, nadat deze als onvoldoende is beoordeeld, elk éénmaal herkansen. Is dit juist?
A
Ja
B
Nee

Slide 10 - Quiz

Motivatie: De kandidaat mag bij elke bijzondere verrichting als deze als onvoldoende is gekwalificeerd, eenmaal herkansen.
Middels het examen voertuigbeheersing toetst de examinator of de motorrijder voldoende basisvoertuigbeheersing bezit aan de hand van:
A
5 van de 12 verrichtingen, waarvan er 5 voldoende moeten zijn.
B
7 van de 12 verrichtingen, waarvan er 5 voldoende moeten zijn.
C
8 van de 12 verrichtingen, waarvan er 7 voldoende moeten zijn.

Slide 11 - Quiz

Motivatie: Na (eventuele herkansing) moeten er 5 verschillende bijzondere verrichtingen voldoende zijn uitgevoerd.
                                                         Wat hoort waar?
                                       Clusters met bijzondere verrichtingen.
                       Geef aan welke verrichtingen "verplicht" of "keuze" zijn.
        

Verplicht





Keuze
Lopend achteruit parkeren
Langzame slalom



                         Denkbeeldige acht
Halve draai
Stapvoets rijden
Wegrijden uit parkeervak
Uitwijkoefening
Snelle slalom
Vertragingsoefening
Noodstop
Precisiestop
stopproef

Slide 12 - Drag question

This item has no instructions

Is er den kleur voor de helm voorgeschreven?
A
Ja
B
Nee

Slide 13 - Quiz

Motivatie Niet voorgeschreven maar ivm een betere zichtbaarheid wel aan te bevelen
Is er wat bepaald ten aanzien van handschoenen tijdens het CBR-examen?
A
Ja
B
Nee

Slide 14 - Quiz

Motivatie: handschoen moet hand geheel en polsgewricht zoveel mogelijk bedekken.
Moet motorschoeisel bij het CBR-examen de enkel bedekken?
A
Ja
B
Nee

Slide 15 - Quiz

Motivatie: Schoeisel moet minstens de enkele bedekken.
Wettelijk zijn oog- en oorbescherming verplicht?
A
Ja
B
Nee

Slide 16 - Quiz

Motivatie: niet verplicht wel aanvullend advies: helmvizier, (zonne)bril of oordopjes zijn aanbevolen.
Klik aan wat hier niet juist is aan zithouding en stuurhouding.
A
Plaatje 1: Voeten niet correct op voetsteunen;.
B
Plaatje 2: Armen veel te recht.
C
Plaatje 3: Gebogen rug.
D
Plaatje 4: Voet onvoldoende steun op de grond.

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Zijn deze spiegels goed afgesteld
A
Plaatje 1: (denkbeeldige) horizon is in onderste deel spiegel zichtbaar.
B
Plaatje 2: In linker spiegel is buitenkant linkerarm of referentiepunt motor te zien.
C
Plaatje 3: In rechter spiegel is geen referentiepunt of buitenkant arm te zien.
D
Plaatje 4: In linker spiegel is naast linkerzijde van de arm en een groot deel naast en achter de motorfiets te overzien.

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

- - controle van dasboard, lampjes en meters.
- sloten ontgrendelen en/of verwijderen; voorbereiding- en controlehandelingen uitvoeren;
- brandstofkraan openen;
- contact maken zonder te starten en check controlelampjes:
- schakelpedaal in neutraal; nog geen stroomverbruikers inschakelen;
- koppelingshendel geheel intrekken;
- motor starten;
Zet de acties met betrekking tot bediening mechanisme in de goede volgorde. 
Tip: zet de begin- en slothandelingen eerst op de plaats en vul dan de andere

Slide 19 - Drag question

This item has no instructions

In beginsel wordt gekoppeld geremd, bij zeer krachtig remmen ontkoppeld men gelijktijdig. Is deze bewering juist?
A
Ja
B
Nee

Slide 20 - Quiz

Motivatie: Door gekoppeld te remmen wordt tevens de remwerking van de motor benut. Alleen bij zeer krachtig remmen wordt gelijktijdig ontkoppeld om de aandrijving direct weg te nemen.
Als men remt of gas terugneemt verplaatst het gewicht van motorfiets en berijder zich:
A
naar achteren;
B
naar voren;
C
blijft neutraal.

Slide 21 - Quiz

Motivatie: De massa zal aanvankelijk door zetten naar voren, daar deze aanvankelijk nog even met onveranderde snelheid door gaat.
Is er verband tussen afstelling van de motor en leefmilieu?
A
Ja;
B
Nee;
C
blijft neutraal.

Slide 22 - Quiz

Motivatie: onjuiste afstelling leidt tot meer gebruik en meer uitstoot van schadelijke stoffen.

.Het voeren van verlichting vergroot de zichtbaarheid van de motorfiets
Daartoe kan hij overdag het beste rijden met:

A
Groot licht,
B
Dimlicht.

Slide 23 - Quiz

Motivatie: Voeren van groot licht is overdag verboden en ook 's nachts verboden als:
- andere weggebruikers, dus ook voetgangers of fietsers je tegemoet komen;
- een andere bestuurder voor je rijdt.

. De kandidaat mag bij elke bijzondere verrichting, nadat deze als onvoldoende is beoordeeld, één maal herkansen. Is dit juist?
A
Ja
B
Nee

Slide 24 - Quiz

Motivatie: De kandidaat mag bij elke bijzondere verrichting als deze als onvoldoende is gekwalificeerd, eenmaal herkansen. Na (eventuele herkansing) moeten er 5 verschillende bijzondere verrichtingen voldoende zijn uitgevoerd.
. Welke hoort er niet bij als we spreken over het kunnen inspelen op concrete verkeersituaties, situaties die zich gaan ontwikkelen en situaties die zich op een bepaald moment kunnen gaan ontwikkelen. Dan wordt daarmee bedoeld:
A
Verkeerskennis;
B
Verkeerservaring:
C
Verkeersinzicht.

Slide 25 - Quiz

Motivatie: Deze omschrijving is te vinden in de Rijprocedure A Hoofdstuk 2, "op juiste
en veilige wijze deelnemen aan het verkeer" over Verkeersinzicht.

. Zet naast elkaar met behulp van de pijlen.
weersomstandigheden<br>
de mens
de weg en omgeving
het voertuig
Balansverstoring voertuig
Overschrijden wrijvingsweerstand band- weg
Geringere zichtbaarheid
Ontbreken passieve veiligheidsvoorzieningen

Slide 26 - Drag question

This item has no instructions

Welk kenmerk hoort er niet bij? Aangepast gedrag gaat over
A
Snelheid waarmee wordt gereden
B
.Vlotheid waarmee handelingen worden uitgevoerd
C
Wijze van reageren in/op verkeerssituatie

Slide 27 - Quiz

Motivatie: Aangepast gedrag gaat over "snelheid en vlotheld in relatie tot overig Wijze van reageren" gaat over besluitvaardig gedrag. Verkeer en/of de betreffende verkeersituatie.
.Defensief gedrag. Welke hoort er niet bij?
Defensief weggedrag is gebaseerd op:

A
Waakzaamheid
B
Inzicht;
C
Goed anticiperen:
D
Opvangen van fouten van andere weggebruikers;

Slide 28 - Quiz

A. Waakzaamheid;
B. Inzicht;
C. Goed anticiperen:
D. Opvangen van fouten van andere weggebruikers;
E. Effectief kijken/ bewust waarnemen;
F. Adequaat reageren.


Motivatie: deze actie rangschikken we onder "sociaal gedrag". De overige vormen de
basis voor "defensief gedrag".

Sociaal weggedrag. Welke hoort er niet bij?
A
Het in geval van een rijbaanversmalling ruimte laten voor inhalende bestuurders
B
Goed anticiperen;
C
Het vermijden van rijden door plassen indien anderen daarvan last ondervinden
D
Het bij druk verkeer aan de bestuurder die vanuit een oprit komt, gelegenheid geven om in te voegen.

Slide 29 - Quiz

Motivatie: Anticiperen is een van de basisvoorwaarden van "defensief rijgedrag".
. Dreigend gevaar kan men in de regel door de volgende manieren trachten
op te lossen. Welke hoort er niet bij?

A
Afremmen;
B
Geven van signalen
C
Uitwijken;
D
Stoppen;

Slide 30 - Quiz

A. Afremmen;
B. Geven van signalen
C. Uitwijken;
D. Stoppen;
E. Snelheid te verhogen.

Motivatie: Er staat "in de regel" opheffen van dreigend gevaar. Signalen geeft men pas als niet te verwachten valt dat het met de andere manieren niet zal lukken.

Zet de kenmerken naast de bijbehorende doelgroep. Gebruik de pijlen
Onberekenbaar gedrag
Geringer reactievermogen&nbsp;
Beperkt vermogen snel te handelen&nbsp;
Alleen op gehoor kunnen afgaan&nbsp;
Mindere gevaarperceptie
Bevinden zich soms op de rijbaan
kinderen
 

Bejaarden
gehandicapten
blinden
Zet de kenmerken naast de bijbehorende doelgroep. Gebruik de pijlen
voetgangers

Slide 31 - Drag question

This item has no instructions

. Welke factor is onbetrouwbaar om de herkenning van een onoverzichtelijke
bocht te vergemakkelijken?

A
Wegmarkeringen;
B
Bomen langs de weg
C
Gevoel;
D
Positie en snelheid van voorgangers en tegenliggers.

Slide 32 - Quiz

Motivatie: door "gevoel" zijn al heel wat bestuurders met te hoge snelheid uit de
bocht gevlogen.

. Volgens de Rijprocedure is de beste plaats op de weg:
A
Rechts op de rijbaan of rijstrook;
B
Midden op de rijbaan of rijstrook;
C
Midden op of iets links van het midden van de gevolgde weghelft of rijstrook.

Slide 33 - Quiz

Motivatie: Regel: Houd altijd zoveel mogelijk rechts. In praktijk is de plaats het midden of iets links van het midden van de gevolgde weghelft of rijstrook. Omstandigheden maken het soms noodzakelijk/wenselijk hiervan af te wijken: markeringen, pijlen, putdeksels, naden, zand, oliesporen etc. Maar ook: verkeersomstandigheden, weersomstandigheden, bochten naar links en naar rechts
geen vraag bij
A
Dit is een actieve veiligheid;"
B
Dit is een passieve veiligheid;
C
. Dit is zowel een actieve als een passieve veiligheid..

Slide 34 - Quiz

This item has no instructions

Uw leerling is tijdens de bijzondere verrichtingen gevallen. De helm heeft daardoor aan de buitenkant wat lichte krassen.

Moet u iets met de helm doen?
A
. Ja, u moet voor de veiligheid van de leerling de helm vernieuwen
B
Nee, dit is voor de veiligheid van de leerling geen probleem;
C
Voor de uitstraling van de rijschool kunt u hem beter vervangen.

Slide 35 - Quiz

This item has no instructions

Welk effect heeft de juiste valhelm bij een val?
A
. De kans op hoofdletsel wordt met ongeveer 25% verminderd
B
De kans op hoofdletsel wordt met ongeveer 50% verminderd;
C
De kans op hoofdletsel wordt met ongeveer 75% verminderd.

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het nadeel als u krassen in het vizier van uw helm hebt?
A
Het vizier zal eerder beslaan door een slechte ventilatie
B
U kunt bij zonnig weer een vertekend beeld krijgen;
C
U zult tijdens regenachtig weer een vertekend beeld krijgen.

Slide 37 - Quiz

This item has no instructions

U neemt een duopassagier achter op de motor mee.

Wat kan dit betekenen voor de naloop en de rechtuit stabiliteit?
A
. De naloop wordt groter, waardoor de rechtuit stabiliteit toeneemt;
B
De naloop wordt kleiner, waardoor de rechtuit stabiliteit afneemt
C
De naloop wordt groter, waardoor de rechtuit stabiliteit afneemt;

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions

Welk type motorfiets heeft (zonder bestuurder) het laagste zwaartepunt?
A
Custom/cruiser
B
Off the road-motor
C
Sportmotor.

Slide 39 - Quiz

This item has no instructions

Hoe wordt hoek A genoemd?
A
Balhoofdhoek;
B
Stuurhoek,
C
Vorkhoek.

Slide 40 - Quiz

This item has no instructions

Een nadeel van cardanaandrijving is?
A
Een hoger afgeveerd gewicht
B
Een hoger onafgeveerd gewicht
C
Een slechter stuurgedrag.

Slide 41 - Quiz

This item has no instructions

Tijdens hard remmen duikt de voorkant van de motor en wordt de voorvering sterk ingedrukt. Wat gebeurt er met de balhoofdhoek van de motor?
A
De balhoofdhoek blijft gelijk;
B
De balhoofdhoek wordt groter,
C
De balhoofdhoek wordt kleiner.

Slide 42 - Quiz

This item has no instructions

Tijdens het rijden met passagier en volle koffers wordt de naloop?
A
Kleiner,
B
Blijft gelijk;
C
Groter

Slide 43 - Quiz

This item has no instructions

De afbeelding komt uit een gebruikershandleiding van een motorfiets
U ziet hier hoe u de speling kunt meten op

A
De remschijf:
B
Het balhoofd,
C
Het wiel

Slide 44 - Quiz

This item has no instructions

Waar moet u rekening mee houden als u het oliepeil van de motorfiets controleert?
A
Dat de motorfiets recht staat;
B
Dat de motorfiets op de middenbok staat:
C
Dat de motorfiets op de zijstandaard staat.

Slide 45 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het gevolg als de achterband van de motorfiets 0,2 bar te weinig bandenspanning
heeft?

A
U hebt meer grip op het wegdek en meer brandstofverbruik;
B
U hebt minder gnp op het wegdek en meer brandstofverbruik;
C
U hebt minder grip op het wegdek en minder brandstofverbruik.

Slide 46 - Quiz

This item has no instructions

Wat controleert u als u op de aangegeven plaats de ketting beweegt?
A
Slijtage;
B
Smering:
C
Spanning.

Slide 47 - Quiz

This item has no instructions

Afgebeeld is de controle van de kettingslijtage bij het achter tandwiel. Deze slijtage is in dit geval:
A
Gering:
B
Te groot
C
Toelaatbaar.

Slide 48 - Quiz

This item has no instructions

Waarvoor dient de naloop bij een motorfiets?
A
Voor de stabiliteit bij het rijden van bochten;
B
Voor de stabiliteit tijdens het rechtuit rijden;
C
Om tijdens regenachtig weer het water en vuil af te voeren.

Slide 49 - Quiz

This item has no instructions

Waarvoor dient de naloop bij een motorfiets?
A
Voor de stabiliteit bij het rijden van bochten;
B
Voor de stabiliteit tijdens het rechtuit rijden;
C
Om tijdens regenachtig weer het water en vuil af te voeren.

Slide 50 - Quiz

This item has no instructions

Wat verandert er niet, indien u een langere voorvork monteert?
A
De sporing van de motorfiets (koersvastheid):
B
Het stuurgedrag van de motorfiets:
C
De sprong van de motorfiets.

Slide 51 - Quiz

This item has no instructions

Als je zware lading op het achterwiel van de motorfiets laat rusten, moet je rekening houden met:
A
Een grotere naloop en een grotere balhoofdhoek;
B
Een kleinere naloop en een grotere balhoofdhoek;
C
Een grotere naloop en een kleinere balhoofdhoek.

Slide 52 - Quiz

This item has no instructions