Verbanden in een tekst (Nederlands vwo), les 1: Uitleg

Een lezer met een krant aan zee, Tarquinia Lido (Italië), 2007

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Verbanden in een tekst

Examenstof Nederlands vwo

1 / 22
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Uitleg over verbanden in een tekst op 4F-niveau: verwijswoorden die een gedachtegang samenvatten, oorzaak-gevolg, doel-middel, voorwaarde, standpunt-argument, toelichting en impliciete verbanden tussen alinea's. Elk blok heeft een voorbeeldtekst en checks.

Items in this lesson

Een lezer met een krant aan zee, Tarquinia Lido (Italië), 2007

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Verbanden in een tekst

Examenstof Nederlands vwo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: A1.1 relaties tussen delen van een tekst (4F: impliciete relaties). Image credit: Roberto Ferrari / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan expliciete en impliciete verbanden tussen tekstdelen herkennen, benoemen en onderbouwen.

This item has no instructions

Hoe laat een schrijver zien hoe zijn gedachten op elkaar aansluiten?

Verwacht: signaalwoorden (want, dus, echter, bovendien), verwijswoorden (dit, daarmee), alinea-indeling, en soms niets expliciets. Noteer ook die laatste categorie: dat zijn de impliciete verbanden die op 4F-niveau gevraagd worden. Veelgemaakte fout: denken dat een verband er alleen is als er een signaalwoord staat.

De bibliotheek van de University of Reading (Verenigd Koninkrijk)

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Verwijswoorden

  • Een verwijswoord (dit, dat, hen, daarmee, een dergelijk) slaat terug of vooruit

  • Het kan slaan op een woord, een zin, een alinea of een hele gedachtegang

  • Test: vervang het verwijswoord door het antwoord en lees de zin opnieuw

  • Let op: 'Dat standpunt' of 'Die gang van zaken' vat vaak meerdere zinnen samen

Syllabus A1.1: verwijzingsrelaties; bij 4F ook impliciete relaties tussen tekstdelen. Veelgemaakte fout: het dichtstbijzijnde zelfstandig naamwoord kiezen terwijl het verwijswoord een hele gedachte samenvat. Image credit: Tim Landy / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Signaalwoorden

  • Een signaalwoord laat zien hoe twee zinnen of alinea's zich tot elkaar verhouden

  • Oorzaak-gevolg: doordat, waardoor, daarom, dus, derhalve

  • Tegenstelling en tegenwerping: maar, echter, toch, daarentegen, desondanks

  • Opsomming en voorwaarde: bovendien, daarnaast, mits, tenzij, indien

  • Eén woord kan meerdere verbanden aanduiden: 'als' is voorwaarde of vergelijking

Dit zijn geen volledige lijsten. Veelgemaakte fout: een signaalwoord uit het hoofd leren zonder naar de zin te kijken. Een signaalwoord kan het verband ook anders inkleuren dan je verwacht, bijvoorbeeld "immers" als argument of als toelichting.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Tekst 1: De stilte van de leeszaal

(1) De universiteitsbibliotheek wil de stilte in de leeszaal herstellen. Studenten die telefoneren of fluisterend overleggen, krijgen een waarschuwing. Het besluit viel nadat uit een enquête bleek dat velen zich gestoord voelden.

(2) Die maatregel roept weerstand op. Vooral groepswerkers wijzen erop dat samenwerken tegenwoordig tot de kern van het onderwijs behoort. Wie hen verbant naar een gang, zo redeneren zij, ontneemt hun juist de plek waar het leren plaatsvindt. Dat standpunt is niet zonder logica, maar het miskent dat er voor beide groepen ruimte kan zijn: het gebouw heeft immers meerdere verdiepingen.

Eigen tekst voor Examenstof

Voorbeeldtekst bij blok 1. Laat leerlingen aanwijzen waar "hen" en "Dat standpunt" naar verwijzen. Let op de dubbele verwijzing: "hen" slaat op de groepswerkers, "Dat standpunt" op een hele redenering.

Waar verwijst "hen" naar?

Wie hen verbant naar een gang, zo redeneren zij, ontneemt hun juist de plek waar het leren plaatsvindt.

A

alle studenten

B

de groepswerkers

C

de gestoorde studenten

D

de bibliotheekmedewerkers

Alinea 2 gaat over groepswerkers die zich verzetten; "hen" slaat op hen. Verwachte fout: de gestoorde studenten, omdat die in alinea 1 centraal staan en ook in de leeszaal zitten.

Waar slaat "Dat standpunt" op?

Dat standpunt is niet zonder logica, maar het miskent dat er ruimte kan zijn.

A

Dat de leeszaal stil moet worden

B

Dat studenten gestoord worden door gefluister

C

Dat het gebouw meerdere verdiepingen heeft

D

Dat de maatregel groepswerkers benadeelt

Het standpunt van de groepswerkers is dat de maatregel hen hun leerplek ontneemt. Verwachte fout: het standpunt van de bibliotheek kiezen, omdat dat in alinea 1 staat.

Boekenkasten in de stadsbibliotheek van Isahaya (Japan)

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Oorzaak en gevolg

  • Bij oorzaak-gevolg noemt het ene deel de reden en het andere wat daaruit volgt

  • Signaalwoorden: doordat, waardoor, daarom, derhalve, dus

  • Let op de richting: na 'want' staat de oorzaak, na 'dus' het gevolg

  • Bij 4F is de oorzaak soms alleen impliciet: de schrijver laat het aan jou over

Syllabus: de relatie van oorzaak-gevolg. Veelgemaakte fout: oorzaak en gevolg omdraaien, of een toevallige samenhang als oorzaak lezen. Dat laatste komt terug bij drogredenen. Image credit: Asturio Cantabrio / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Doel-middel en voorwaarde

  • Bij doel-middel is het middel wat iemand doet en het doel wat hij of zij ermee wil bereiken

  • Signaalwoorden: om ... te, zodat, opdat, teneinde, daarvoor

  • Een voorwaarde zegt onder welke omstandigheid iets geldt: mits, tenzij, indien, als

  • Een doel is bedoeld, een gevolg kan ook toeval zijn: dat is het verschil met oorzaak-gevolg

  • Middel en doel kunnen in verschillende alinea's staan; zoek naar de vraag: waarom doet iemand dit?

Syllabus: de relatie doel-middel. Voorwaarde hoort bij de verbanden die op 3F/4F voorkomen. Veelgemaakte fout: doel en gevolg door elkaar halen.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Tekst 2: Uitstel als strategie

(1) Wie een opdracht voor zich uit schuift, geldt al snel als zwak van wil. Gedragswetenschapper Femke Brandsma ziet dat anders: uitstellen kan functioneel zijn, mits het bewust gebeurt. Het brein blijft een probleem namelijk ook op de achtergrond verwerken.

(2) Om dat voordeel te benutten, adviseert Brandsma haar studenten een opdracht meteen te beginnen en daarna even te laten liggen. Zo ontstaat een eerste schets waaraan het denkwerk zich kan vastklampen. Wie daarentegen pas op de laatste avond begint, mist die bezinktijd en levert, ongeacht talent, vaker haastwerk af.

Eigen tekst voor Examenstof

Voorbeeldtekst bij blok 2. Let op "mits" (voorwaarde), "Om ... te" (doel-middel) en "daarentegen" (tegenstelling). Femke Brandsma is een verzonnen persoon.

Wat is in deze zin het doel?

Om dat voordeel te benutten, adviseert Brandsma haar studenten een opdracht meteen te beginnen.

A

Het voordeel van uitstellen benutten

B

Studenten laten werken aan een opdracht

C

Een opdracht meteen beginnen

D

Haastwerk voorkomen

"Om ..." geeft het doel; wat erna komt (meteen beginnen) is het middel. Verwachte fout: het middel als doel kiezen, of een gevolg (haastwerk voorkomen) dat pas in de volgende zin staat.

Onder welke voorwaarde is uitstellen functioneel?

Modelantwoord: mits het bewust gebeurt (1 punt). Verwachte fout: antwoorden "als het brein op de achtergrond werkt": dat is het voordeel, niet de voorwaarde.

Boekenkasten in de bibliotheek van Anjo (Japan)

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Standpunt en argument

  • Een standpunt is wat de schrijver wil dat je vindt of doet

  • Een argument ondersteunt het standpunt, een subargument weer dat argument

  • Signaalwoorden: want, immers, namelijk, omdat

  • Test: zet 'want' tussen de delen. Klopt het, dan volgt daarna het argument

Syllabus: de relatie van standpunt-argument-subargument. De soorten argumentatie (enkelvoudig, onderschikkend, nevenschikkend) komen in een ander onderwerp aan bod. Hier gaat het om het verband tussen de delen. Image credit: Asturio Cantabrio / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Toelichting en impliciet

  • Een algemene uitspraak wordt toegelicht met uitleg, een voorbeeld of een vergelijking

  • Signaalwoorden: bijvoorbeeld, zoals, namelijk, met andere woorden, net als

  • Zonder signaalwoord is het verband impliciet: je leidt het af uit de inhoud en de volgorde

  • Bij 4F zit het verband soms tussen alinea's: een alinea nuanceert, relativeert of weerlegt de vorige

  • Zet er zelf een signaalwoord tussen (want, maar, dus) en kijk of het nog klopt

Syllabus: de relatie van algemene uitspraak-toelichting; 4F: impliciete relaties tussen tekstdelen. Veelgemaakte fout: stoppen als er geen signaalwoord staat.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Tekst 3: Gratis is nooit gratis

(1) De gratis app waarmee je je stappen telt, staat op veel telefoons. Wie de voorwaarden leest, ziet dat de gebruiker betaalt met gegevens. Een gratis dienst is zelden gratis: de prijs is alleen verhuisd van de portemonnee naar de privacy.

(2) Dat is geen reden om alle apps de deur te wijzen. Het is wel een reden om te vragen wat de dienst met onze gegevens doet. Bedrijven die daarover zwijgen, hebben vaak iets te verbergen. Neem de stappenteller: hij weet wanneer je opstaat, waar je woont en hoe vaak je naar het ziekenhuis gaat.

Eigen tekst voor Examenstof

Voorbeeldtekst bij blok 3: algemene uitspraak met toelichting na de dubbele punt, en een impliciete tegenstelling in alinea 2 ("geen reden ... wel een reden"). De stappenteller is een voorbeeld, geen bestaand merk.

Welke functie heeft het deel na de dubbele punt?

Een gratis dienst is zelden gratis: de prijs is alleen verhuisd van de portemonnee naar de privacy.

A

Een gevolg van de uitspraak ervoor

B

Een tegenwerping tegen de uitspraak ervoor

C

Toelichting op de uitspraak ervoor

D

Een voorwaarde voor de uitspraak ervoor

Na de dubbele punt wordt uitgelegd wat "zelden gratis" betekent: de prijs verhuist naar de privacy. Verwachte fout: gevolg, omdat de zin een resultaat lijkt te noemen.

Welk impliciet verband zit tussen deze zinnen?

Dat is geen reden om alle apps de deur te wijzen. Het is wel een reden om te vragen wat de dienst met onze gegevens doet.

A

oorzaak-gevolg

B

opsomming

C

tegenstelling

D

voorwaarde

De zinnen staan tegenover elkaar ("geen reden" tegenover "wel een reden"). Er staat geen signaalwoord, maar "maar" past ertussen. Verwachte fout: opsomming, omdat beide zinnen over apps gaan.

Wat vond je vandaag het lastigst?

1

Verwijswoorden die een heel standpunt samenvatten

2

Oorzaak-gevolg en doel-middel

3

Standpunt en argument

4

Impliciete verbanden tussen alinea's

Gebruik de uitslag om te bepalen welk verband je in de training extra uitlicht.

Hoe vind je een verband zonder signaalwoord?

Een goed antwoord: ik bedenk zelf een signaalwoord (want, maar, dus) en kijk of de zinnen dan nog kloppen, of ik vraag wat de functie van de zin is. Verwachte fout: zeggen dat er dan geen verband is.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Begrippen (1/2)

  • verwijswoord: woord dat terugwijst naar (of vooruit wijst naar) iets anders in de tekst

  • signaalwoord: woord dat laat zien welk verband er tussen tekstdelen is

  • oorzaak-gevolg: het ene deel is de reden, het andere wat daaruit volgt

  • doel-middel: het middel is wat je doet, het doel wat je ermee wilt bereiken

  • standpunt-argument: het argument ondersteunt het standpunt van de schrijver

This item has no instructions

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Begrippen (2/2)

  • algemene uitspraak-toelichting: een uitspraak wordt uitgelegd met een voorbeeld of uitleg

  • tegenstelling: twee delen staan tegenover elkaar (maar, echter, toch)

  • opsomming: delen staan naast elkaar (ook, bovendien, ten eerste)

  • voorwaarde: het ene geldt alleen onder een omstandigheid (mits, tenzij, indien)

  • impliciete relatie: verband dat er is, maar niet met een signaalwoord wordt genoemd

This item has no instructions