TC A1 thema 3 Wonen (ww)

Werkwoorden WONEN
  A1 Werkwoorden thema 3
1 / 19
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Werkwoorden WONEN
  A1 Werkwoorden thema 3

Slide 1 - Slide

spreken



Ik spreek Nederlands. 
Je spreekt Nederlands. 
Hij spreekt Nederlands. 
Zij spreekt Nederlands. 
We spreken Nederlands. 
Jullie spreken Nederlands. 
Ze spreken Nederlands. 

Slide 2 - Slide

schrijven (v - f)
Ik schrijf met een pen.
Je schrijft met een pen.
Hij schrijft met een pen.
Zij schrijft met een pen.
We schrijven met een pen.
Jullie schrijven met een pen.
Ze schrijven met een pen.
kiezen (z - s)
Ik kies een boek. 
Je kiest een boek.
Hij kiest een boek.
Zij kiest een boek.
We kiezen een boek. 
Jullie kiezen een boek.
Ze kiezen een boek. 

Slide 3 - Slide

1. Kies het juiste antwoord:
ik ........... (kiezen)
A
kies
B
kiest
C
kiezen
D
kiez

Slide 4 - Quiz

2. Kies het juiste antwoord:
wij ........... (schrijven)
A
schrijft
B
schrijfen
C
schrijven
D
schreiven

Slide 5 - Quiz

3. Kies het juiste antwoord:
hij ........... (spreken)
A
spreek
B
spreken
C
sprek
D
spreekt

Slide 6 - Quiz

4. Kies het juiste antwoord:
wij ........... (wonen)
A
woonen
B
wonen
C
woont
D
woon

Slide 7 - Quiz

5. Kies het juiste antwoord:
u ........... (schrijven)
A
schrijvt
B
schrijven
C
schrijft
D
schrijf

Slide 8 - Quiz

6. Kies het juiste antwoord:
zij (1 pers.) ........... (kiezen)
A
kiezt
B
kiezen
C
kiest
D
kies

Slide 9 - Quiz

7. Kies het juiste antwoord:
zij (2 pers.) ........... (zeggen)
A
zegt
B
zeggen
C
zecht
D
zechen

Slide 10 - Quiz

8. Kies het juiste antwoord:
jullie ........... (spellen)
A
speelen
B
spelen
C
spel
D
spellen

Slide 11 - Quiz

9. Hoe heet een hoog gebouw
waar je in kan wonen?

A
huis
B
flat
C
garage
D
schuur

Slide 12 - Quiz

10. Hierdoor kan je in een huis
naar buiten kijken.

A
deur
B
muur
C
gang
D
raam

Slide 13 - Quiz

11. Hier kook je het eten.

A
garage
B
schuur
C
keuken
D
gang

Slide 14 - Quiz

12. Hier poets je je tanden.

A
badkamer
B
slaapkamer
C
keuken
D
woonkamer

Slide 15 - Quiz

13. Het dak zit boven de zolder.
Waar of niet waar?
A
waar
B
niet waar

Slide 16 - Quiz

14. De elfde maand van het jaar is?
A
september
B
oktober
C
november
D
december

Slide 17 - Quiz

15. De vierde maand van het jaar is?
A
januari
B
februari
C
maart
D
april

Slide 18 - Quiz

Goed geoefend!

Slide 19 - Slide