Werkwoorden
Werkwoorden
Wat zijn werkwoorden?
Werkwoorden
Wat zijn in de volgende zinnen de werkwoorden?
Op een dag zit supermeester in de klas
dag
supermeester
een
zit
Hij geeft les aan kinderen die thuis waren
geeft
aan
kinderen
thuis
Supermeester is de liefste meester van de hele wereld.
de
van
is
wereld
Midden in de online les hoort hij een dier
midden
hoort
hij
dier
Dat dier zit vast in een schoen van een oude opa
dier
vast
zit
schoen
Het is een bruine eekhoorn
De schoen van de oude opa stinkt vreselijk erg
Er kunnen meerdere werkwoorden in een zin zitten
Supermeester weet niet goed wat hij moet doen
Hij krijgt de neiging om aan een stift te likken
Hij, stift
neiging, stift
De, stift
krijgt, likken
Hij loopt naar de bak met stiften en pakt een rode stift
Hij, bak
met, stiften
loopt, pakt
rode, stift
Hij tekent een poppetje op zijn tong en verandert in Supermeester
Hij, supermeester
poppetje, in
tekent, verandert
tong, op
De kinderen denken dat hij gek is
Hij gaat naar het huis van de oude opa en klopt op het keukenraam
Supermeester vliegt weer naar het raam van de klas en hij gaat weer verder met de les.