Werkvormen: Schaalvraag

Schaalvraag

Werkvormen

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorMentorlesMiddelbare schoolMBOVoortgezet speciaal onderwijsBasisschoolPraktijkonderwijsSpeciaal OnderwijsHBO

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 10 min
Report this lesson

Introduction

Schaalvraag Waar sta je nu, en wat is je volgende stap? Maak het voor je leerlingen en jezelf inzichtelijk waar ze staan t.o.v. de lesstof. Wordt deze begrepen, hebben ze het idee dat het beheersen of is er nog werk aan de winkel? Een formatieve werkvorm die duidelijk maakt waar de leerlingen staan, maar ook wat de persoonlijke leerdoelen zijn.

Instructions

Introductie
"Hoe gaat het met je voorbereiding?" 
Op die vraag krijg je vaak "goed" of "gaat wel" als antwoord. Daar kun je weinig mee. Vraag je: "Welk cijfer geef je je voorbereiding, op een schaal van 1 tot 10?", dan wordt het antwoord ineens concreet. Een 4 vertelt iets anders dan een 7. Dat getal is geen eindpunt, maar het begin van een gesprek.

Wat is de kracht van de schaalvraag?
De schaalvraag komt uit het oplossingsgericht werken. 
Je kijkt niet vooral naar wat er misgaat, maar naar wat er al lukt en wat de volgende stap kan zijn. De leerling is daarbij de deskundige over zijn of haar eigen situatie.

Het getal zelf is dus niet het belangrijkste. Het gaat om de vragen die je daarna stelt. Daarbij helpen twee dingen:
  1. Begin bij wat al goed gaat. Ook bij een 3 is er iets waardoor het geen 1 is. Vraag: "Waarom een 3 en geen 1? Wat doe je al?" Zo hoort een leerling van zichzelf wat hij of zij al kan.
  2. Vraag naar één stapje hoger, niet naar een 10. "Wat zou er anders zijn als je een 4 had?" Een halve of hele punt omhoog is te overzien. Een sprong naar een 10 voelt voor veel leerlingen onhaalbaar.
Niet iedereen hoeft een 10 te halen. Vraag daarom ook: "Bij welk cijfer ben jij tevreden?" Voor de een is dat een 6, voor de ander een 8. Het verschil tussen waar een leerling staat en wat goed genoeg is, laat zien hoe groot de stap is die nog nodig is.

Zo werkt het in de praktijk

1. Stel de schaalvraag (1 minuut).
Kies een onderwerp dat ertoe doet: de voorbereiding op een toets, het begrip van de stof, de samenwerking of hoe het met iemand gaat. Spreek af wat 1 en 10 betekenen, anders zegt het getal weinig. Bijvoorbeeld: een 10 betekent dat het doel helemaal bereikt is, een 1 betekent dat je nog niet bent begonnen.
2. Bekijk samen de uitkomst (2 minuten). 
Laat de verdeling in de klas zien zonder namen. Wat valt op? Staan de meeste leerlingen dicht bij elkaar, of zit er veel verschil in? Oordeel niet over de getallen. Het is de inschatting van de leerling, en die klopt voor de leerling zelf.
3. Vraag door (3 tot 5 minuten).
Gebruik voor meer diepgang de open vragen en de doorvraag-kaart in deze les. Dat kan klassikaal, in tweetallen of later in een mentorgesprek. Leerlingen schrijven bijvoorbeeld op waarom ze geen lager cijfer gaven en wat hun eerste kleine stap is.
4. Kom erop terug. 
Stel dezelfde vraag aan het eind van de les, na de toets of een week later. Zo zien leerlingen hun eigen ontwikkeling. Vraag dan: "Wat heb je gedaan waardoor je nu hoger staat?" of "Wat zat je in de weg?"

Tips
- Stille leerlingen vinden een schaalvraag vaak prettig, omdat ze eerst alleen een getal hoeven te geven. Dwing ze niet om hun cijfer hardop te noemen.
- Gebruik de schaal nooit als beoordeling. Zodra een leerling denkt dat een laag getal gevolgen heeft, gaat hij of zij sociaal wenselijk antwoorden.
- Wisselen helpt. Gebruik niet elke les dezelfde schaal, anders wordt het een routine waar leerlingen niet meer over nadenken.

Didactische en pedagogische waarde
  • Leerlingen maken hun eigen leerproces zichtbaar. Een getal kiezen vraagt om even stil te staan: waar sta ik eigenlijk? Dat is een eerste stap in zelfreflectie.
  • De docent krijgt snel een beeld van de klas. In één minuut zie je wie de stof snapt, wie twijfelt en wie extra hulp nodig heeft.
  • De volgende stap is klein en haalbaar. Door te vragen naar een stapje hoger in plaats van naar een 10, maken leerlingen een plan dat ze echt kunnen uitvoeren.
  • De nadruk ligt op wat al lukt. Dat helpt vooral leerlingen die gewend zijn om vooral te horen wat niet goed gaat.
Hoe maak je het?
In deze les staan sjabloonslides met negen soorten schaalvragen. Zo kun je dezelfde werkvorm op verschillende manieren gebruiken en blijft het afwisselend voor je leerlingen:
  • Cijferschaal (1 tot 10) en doelschaal (welk cijfer is goed genoeg?)
  • Emojischaal: vijf gezichtjes, zonder cijfers. Laagdrempelig, ook voor jongere leerlingen.
  • Stoplicht: rood, oranje, groen. Snel te beantwoorden, bijvoorbeeld na de instructie.
  • Eens-oneensschaal: leerlingen reageren op een stelling.
  • Sterrenschaal: één tot vijf sterren, zoals bij een review.
  • Energieschaal: hoe vol is je energietank?
  • Schaal tussen twee uitersten, zoals alleen of samen werken. Hier is geen antwoord beter dan het andere.
  • Schaal in het lokaal: leerlingen gaan op een denkbeeldige lijn tussen twee muren staan.
Na de schaalvragen volgen open vragen om door te vragen, en een doorvraag-kaart voor gesprekken in tweetallen.

De meeste schaalvragen zijn polls.
Voor de cijferschaal van 1 tot 10 is een meerkeuzevraag zonder goed antwoord gebruikt, omdat tien opties in een poll niet op de slide passen. Pas de vragen en antwoorden gerust aan je eigen les aan. In de docent-notities bij elke slide staat waarvoor die schaal goed werkt en hoe je kunt doorvragen.

Items in this lesson

Schaalvraag

Werkvormen

Deze les is een verzameling sjabloonslides voor de schaalvraag. Kies díe slides die bij jouw les passen en pas de vragen aan.

Je hoeft ze niet allemaal te gebruiken.

Zo werkt een schaalvraag

1. Kies een getal


Waar sta je nu, op een schaal van 1 tot 10? Een 10 betekent: het doel is bereikt.

2. Wat gaat al goed?


Waarom geef je jezelf dit getal, en geen lager getal? Wat doe je al?

3. Eén stapje hoger


Wat is er anders als je één punt hoger staat? Wat is je eerste kleine stap?

De schaalvraag komt uit het oplossingsgericht werken (Steve de Shazer en Insoo Kim Berg). Je vraagt een leerling om zichzelf een getal te geven, meestal van 0 of 1 tot 10, waarbij 10 betekent dat het doel bereikt is. Het getal zelf is niet het belangrijkste: het opent het gesprek.

Vraag daarna eerst door naar wat er al goed gaat: waarom een 5 en geen 3? Zo hoort de leerling van zichzelf wat hij of zij al doet.

Vraag dan naar het doel (welk cijfer is goed genoeg?) en naar één klein stapje hoger: wat zou er anders zijn bij een 6? Een stapje hoger is haalbaarder dan meteen een 10.

Stille leerlingen vinden het vaak prettig dat ze eerst alleen een getal hoeven te noemen. Met de polls in deze les antwoorden leerlingen anoniem, zodat je in één oogopslag ziet hoe de klas ervoor staat. Bespreek de uitkomst met de groep en ga in een mentorgesprek of in tweetallen verder met de vervolgvragen.

Herhaal dezelfde schaalvraag aan het eind van de les of een week later. Dan zien leerlingen hun eigen groei. Gebruik de schaal nooit als beoordeling: het is de inschatting van de leerling, en die klopt altijd voor de leerling zelf.

Schaalvraag

Sjabloonslides

Deze les is een verzameling sjabloonslides voor de schaalvraag. Kies de slides die bij jouw les passen en pas de vragen aan. Je hoeft ze niet allemaal te gebruiken.

Hoe goed heb je je voorbereid op de volgende toets?

A

1

B

2

C

3

D

4

E

5

F

6

G

7

H

8

I

9

J

10

De klassieke schaalvraag.

Een 1 betekent dat je je helemaal niet hebt voorbereid, een 10 dat je je zo goed hebt voorbereid als je maar kunt. Laat leerlingen eerst voor zichzelf een cijfer kiezen en bespreek daarna de verdeling in de klas. Deze vraag heeft geen goed antwoord: elk cijfer telt. Stel dezelfde vraag na de toets nog eens en vergelijk.

Waarom geef je jezelf dat cijfer

en geen lager cijfer?

Deze vervolgvraag zet de leerling op het spoor van wat er al goed gaat.

Ook bij een 2 is er iets dat ervoor zorgt dat het geen 1 is.

Vraag door: wat deed je precies, en hoe kreeg je dat voor elkaar?

1

5

2

6

3

7

4

8

5

9

6

10

Bij welk cijfer ben jij tevreden over je voorbereiding?

De doelschaal: niet iedereen hoeft een 10 te halen. Bij welk cijfer ben je tevreden?

Leg deze uitkomst naast de cijferschaal. Het verschil tussen waar een leerling staat en wat goed genoeg is, laat zien hoe groot de stap is die nog nodig is.

Wat heb je nodig om een stapje hoger te komen?

Vraag naar één stapje hoger, niet naar een 10: een halve of hele punt is haalbaar en concreet. Help de leerling het zo klein en zichtbaar mogelijk te maken. Wat ga je morgen anders doen? Wie merkt het als het je lukt?

Hoe kijk je terug op deze les?

De emojischaal werkt zonder cijfers en is daardoor laagdrempelig, ook voor jongere leerlingen of leerlingen die schrikken van een cijfer.
Of zet de schaal in na een zelfstandige opdracht en stel de vraag: Hoe ging dat?

Ook geschikt als check-in aan het begin van de les of de dag: Hoe voel je je vandaag?

1

🔴 Ik snap het nog niet

2

🟠 Ik snap het een beetje

3

🟢 Ik snap het en kan het uitleggen

Hoe goed snap je de stof van vandaag?

De stoplichtschaal heeft maar drie stappen en is snel te beantwoorden, bijvoorbeeld na de instructie.
Beoordeel in hoeverre je verder kan met je instructie of dat je een stap terug te zetten hebt.
Je vervolg in de les zou kunnen zijn:
- Je laat de groene leerlingen zelfstandig verder werken.

- De oranje leerlingen werken in tweetallen ook door, maar kunnen vragen stellen aan de groene leerlingen.
- De rode leerlingen neem je apart voor verlengde instructie.

1

Helemaal oneens

2

Oneens

3

Neutraal

4

Eens

5

Helemaal eens

Stelling: ik weet wat ik moet leren voor de toets.

Bij een eens-oneensschaal reageren leerlingen op een stelling.
Schrijf de stelling positief en concreet, zodat helemaal eens het doel is.
Vraag daarna: wat zou er nodig zijn om één stap verder te komen?

1

⭐️

2

⭐️⭐️

3

⭐️⭐️⭐️

4

⭐️⭐️⭐️⭐️

5

⭐️⭐️⭐️⭐️⭐️

Hoe tevreden ben je over jullie samenwerking?

De sterrenschaal kennen leerlingen van reviews. Handig om een opdracht, samenwerking of eigen product te waarderen.
Vraag door: wat zorgde voor de sterren die je wel gaf? En wat had er nodig geweest voor nog één ster?

25% - BIJNA LEEG

50% - HALF VOL

0% - LEEG

75% - BIJNA VOL

100% - VOL

Hoe vol is jouw energietank op dit moment?

De energieschaal vraagt naar hoe leerlingen zich voelen in plaats van naar wat ze kunnen.

Het is een goede check-in na een vakantie, voor een toetsweek of op een maandagochtend.
Vraag door: wat geeft jou energie, en wat kost je energie?
Laat de leerlingen hun naam in de juiste categorie plaatsen. Het is niet van belang te weten wie welk antwoord heeft gegeven, dat zie je in de rapportages terug en geeft de leerlingen meer veiligheid om eerlijk te antwoorden.

Wat zou jou nu energie geven?

This item has no instructions

1

Helemaal alleen

2

Liever alleen

3

Maakt mij niet uit

4

Liever samen

5

Helemaal samen

Hoe werk jij het liefst?

Een schaal tussen twee uitersten heeft geen goed of fout antwoord: geen van beide kanten is beter.

Zo ontdek je voorkeuren in de klas, bijvoorbeeld bij het indelen van groepjes.

Voorbeelden van andere uitersten: snel of zorgvuldig, lezen of luisteren, plannen of gewoon beginnen.

Ga op de lijn staan

Hoe zeker ben jij dat je de opdracht van vandaag af krijgt?

Links

Rechts

Vertel aan je buur waarom je hier staat

en niet een stukje verder naar links.

1

10

Plaats de ster op de gemiddelde score van de klas.
Wat hebben we als klas nodig om een stukje naar rechts te kunnen gaan staan?

De schaal in het lokaal maakt de schaalvraag zichtbaar en in beweging. Wijs de twee muren aan die 1 en 10 zijn, of leg een lint of strook tape over de vloer.

Leerlingen gaan staan waar ze vinden dat ze staan. Vraag daarna een paar leerlingen waarom ze daar staan en niet een stukje naar links, en laat tweetallen die naast elkaar staan elkaar vertellen wat hun volgende stap is.
Verplaats de ster op het digibord naar de gemiddelde plek van de klas. Wat heeft de klas als totaal nodig om de sterk naar rechts te verplaatsen?
Controleer dit eventueel aan het einde van de les, door de vraag nogmaals te stellen.

Pas de vraag aan je les aan.

Doorvraag-kaarten

De volgende stap

  • Welk getal is goed genoeg?

  • Wat is er anders als je één punt hoger staat?

  • Wat is je eerste kleine stap?

  • Wie merkt het als het je lukt?

Wat gaat al goed?

  • Waarom dit getal en geen lager getal?

  • Hoe heb je dit bereikt?

  • Ben je tevreden met dit getal?

Gebruik deze vragen in een mentorgesprek of laat leerlingen elkaar in tweetallen interviewen na een schaalvraag. Begin altijd met wat er al goed gaat, en eindig met één kleine, concrete stap.

Vind meer inspiratie op ons Inspiratiekanaal.

Alle werkvormen van LessonUp vind je op het kanaal WoW.

Werkvormen

Deze les is een verzameling sjabloonslides voor de schaalvraag. Kies de slides die bij jouw les passen en pas de vragen aan. Je hoeft ze niet allemaal te gebruiken.