3. Meedoen: Ons plan

Les 3: Ons plan . . .

MEEDOEN!

Actief! Burgerschap

1 / 18
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBurgerschapskundeMaatschappijleer+1Middelbare schoolMBOhavo, vwoLeerjaar 3-6Studiejaar 1-3

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Introduction

Derde en laatste les uit de reeks Meedoen! van Actief! Burgerschap. Leerlingen gaan van klagen naar een echt plan. Op een klaagmuur verzamelen ze wat beter kan op school of in de buurt. Ze leren wie daarover beslist en via wie je daar komt: de leerlingen- of studentenraad, de medezeggenschapsraad, de gemeente, LAKS en JOB. Dat oefenen ze met drie meerkeuzevragen. In teams maken ze met het planbord in vijf stappen een plan, presenteren ze het in een pitch van één minuut en stemmen ze op het plan dat echt verder mag. De les bouwt voort op les 1 en 2, maar is ook los te geven. Lesduur: 50 minuten. Elke opdracht kan met en zonder devices. Sluit aan bij de SLO-conceptkerndoelen burgerschap (juli 2025), kerndoel 3, onderdeel maatschappelijke betrokkenheid (3B): vanuit eigen idealen bijdragen aan de samenleving, nu en in de toekomst, en onderdeel democratische betrokkenheid (3A): inspraak en besluitvorming, en kerndoel 1 (democratische oefenplaats).

Instructions

Items in this lesson

Les 3: Ons plan . . .

MEEDOEN!

Actief! Burgerschap

Les 3 uit de reeks Meedoen! van Actief! Burgerschap. Lesduur: 50 minuten. Weinig tijd? Sla de slide Van plan naar actie (slide 14) en de begrippenlijst (slide 17) over. Houd de drie meerkeuzevragen erin: die oefenen wie er beslist, en dat hebben de teams nodig voor hun plan.

In les 1 ging het over wat je geeft aan de samenleving, in les 2 over hoe je iets verandert. In deze les maken de leerlingen zelf een plan voor iets wat beter kan op school of in hun buurt, en presenteren ze dat aan de klas.

Voorbereiden: leerlingen werken in zes teams van 4 of 5. Bedenk vooraf de teams. Print per team het werkblad Planbord en per leerling de kijkwijzer voor de pitches uit de docentenhandleiding. Zonder devices: leg ook post-its en stickers (stippen) klaar.

Hoe werkt het?

  • Dit weet je al

  • Dit leer je nu

  • Doen

  • Terugkijken

  • Kijken

  • Klik hier

  • Afbeelding vergroten

Leg kort uit wat de symbolen betekenen. Rechtsboven op elke slide zie je wat je gaat doen.

Na de les:

  • kun je een probleem uit je eigen omgeving kiezen en er een haalbaar plan voor maken.

  • kun je uitleggen wie erover beslist en hoe je daar komt.

  • kun je je plan in één minuut overtuigend presenteren.

Lees de leerdoelen samen, 1 minuut.

Kerndoel 3, onderdeel maatschappelijke betrokkenheid (3B): reflecteren op mogelijkheden om vanuit eigen idealen bij te dragen aan de samenleving, nu en in de toekomst. Kerndoel 3A (democratische betrokkenheid): inspraak en besluitvorming. Kerndoel 1: de school als democratische oefenplaats.

De klaagmuur: wat kan beter op school of in je buurt?

Eén ding, in één zin.

Opener, 3 minuten. Iedereen stuurt één ding in dat beter kan, in één zin. Het mag klein zijn (de kantine, de fietsenstalling, de wifi) of groot (een veilige oversteek, een plek om te sporten in de buurt).

Met devices: de antwoorden komen op het scherm. Zonder devices: leerlingen schrijven hun zin op een post-it en plakken die op het bord.

Let op: noem geen namen van leerlingen of docenten. Het gaat om dingen die beter kunnen, niet om personen. Haal een antwoord dat over een persoon gaat meteen weg.

Bewaar de antwoorden: de teams kiezen er straks hun probleem uit. Heeft de klas les 2 gehad? Dan mogen leerlingen ook hun antwoord van de reflectie in les 2 gebruiken.

Dit weet je al

LES 1 EN 2

Je weet wat je moet, wat je mag en wat je vrijwillig doet. En je kent zes manieren om iets te veranderen.

Nu is het jouw beurt. Wat ga jij veranderen?

Voorkennis activeren, 2 minuten. Vraag: welke manieren om iets te veranderen weet je nog? (Petitie, demonstratie, online campagne, boycot, lobby, naar de rechter.) Waarom werkt een combinatie het beste? (Je hebt aandacht nodig én iemand die beslist.)

Heeft de klas les 1 en 2 niet gehad? Noem dan kort de zes manieren en schrijf ze op het bord.

Waar breng je je plan heen?

Leerlingen- of studentenraad

Begin hier bij een probleem op school.

Medezeggenschapsraad (vo)

Beslist mee over grote plannen van school.

Gemeente

Spreek in, of zoek de jongerenraad.

LAKS en JOB

Landelijk, voor scholieren en mbo-studenten.

Op school beslist de schoolleiding, in de buurt de gemeente.

Uitleg, 3 minuten. Een goed plan komt bij de goede beslisser terecht. De drie meerkeuzevragen hierna oefenen dit. Bespreek de vier plekken.

Maak het verschil duidelijk tussen wie beslist en via wie je daar komt. Op school beslist de schoolleiding, maar je komt er vaak via de leerlingenraad of studentenraad. In de buurt beslist de gemeente, en je komt er door in te spreken of via de jongerenraad. Dit komt terug in stap 4 van het planbord.

Leerlingenraad of studentenraad: de leerlingenraad (vo) of studentenraad (mbo) praat mee namens alle leerlingen of studenten en mag de schoolleiding advies geven. Op het mbo is een studentenraad verplicht en heeft die adviesrecht. In het vo is een leerlingenraad niet verplicht, maar de meeste scholen hebben er een. Dit is meestal de eerste stap bij een probleem op school.

Medezeggenschapsraad (mr): alleen in het voortgezet onderwijs zitten ouders, personeel en leerlingen samen in de mr. De mr praat mee en beslist soms mee over grote plannen, zoals de schoolgids. Op het mbo zitten studenten niet in de mr: daar praten ze mee via de studentenraad.

Gemeente: iedereen mag inspreken bij de gemeente. Dat gebeurt meestal bij een commissievergadering, en je meldt je vooraf aan. Hoe het precies werkt, verschilt per gemeente: zoek het op de website van je eigen gemeente op. Veel gemeenten hebben ook een jongerenraad die de gemeente advies geeft.

LAKS en JOB: landelijke organisaties die opkomen voor scholieren (LAKS) en mbo-studenten (JOB). Ze praten met het ministerie en de Tweede Kamer.

Vraag: wie weet wie er in onze leerlingenraad of studentenraad zit? Weten leerlingen het niet? Dat is al een goede eerste les: zoek het samen op.

Verwachte misvatting: "De directeur beslist toch alles." De directeur beslist veel, maar moet bij grote plannen luisteren naar de mr, en de leerlingenraad mag gevraagd en ongevraagd advies geven.

Je wilt een overdekte fietsenstalling op het schoolplein. Bij wie begin je het best?

A

De ouderraad

B

De gemeente

C

De leerlingen- of studentenraad

D

De medezeggenschapsraad

Meerkeuzevraag, 2 minuten. Het goede antwoord is C: de leerlingen- of studentenraad. Die kan het probleem bij de schoolleiding op tafel leggen. De fietsenstalling is van de school, dus de school beslist.

Wie A kiest: de ouderraad helpt de school met activiteiten, maar praat niet namens leerlingen. Wie B kiest: de gemeente gaat wel over de straat voor de school, maar niet over het schoolplein. Wie D kiest, zit niet ver weg: de mr kan meebeslissen als het een groot plan wordt, maar je begint bij de leerlingenraad of studentenraad. Die brengt het idee in, en op het mbo zitten studenten niet in de mr.

Zonder devices: leerlingen steken 1, 2, 3 of 4 vingers op.

Bij de oversteek naar school gaat het bijna elke week mis. Je wilt een zebrapad. Bij wie begin je het best?

A

De provincie

B

De gemeente

C

De wijkagent

D

De leerlingen- of studentenraad

Meerkeuzevraag, 2 minuten. Het goede antwoord is B: de gemeente. De straat voor de school is openbare weg, en daar gaat de gemeente over. Je kunt inspreken bij de gemeenteraad of een raadscommissie, een raadslid mailen, of de jongerenraad vragen het mee te nemen.

Wie A kiest, gaat te hoog: de provincie gaat over provinciale wegen tussen steden, niet over een straat bij school. Wie C kiest: de wijkagent kan meedenken en gevaarlijke situaties doorgeven, maar beslist niet over een zebrapad. Wie D kiest, zit niet ver weg: de leerlingenraad of studentenraad en de school kunnen je steunen. Maar de school beslist niet over de straat.

Zonder devices: leerlingen steken 1, 2, 3 of 4 vingers op.

In een landelijk examen zat een vraag die niet klopte. Leerlingen en studenten in heel Nederland zijn de dupe. Waar meld je dat?

A

De leerlingen- of studentenraad

B

De gemeente

C

De medezeggenschapsraad

D

LAKS of JOB

Meerkeuzevraag, 2 minuten. Het goede antwoord is D: LAKS of JOB. Een landelijk examen is op alle scholen hetzelfde, dus het probleem speelt overal. Voor vo-leerlingen is dat het centraal eindexamen: LAKS heeft tijdens de examens een examenklachtenlijn en brengt de klachten naar de organisaties die de examens maken en naar het ministerie. Mbo-studenten kunnen met landelijke problemen terecht bij JOB, de organisatie van mbo-studenten.

Wie A of C kiest, denkt aan de eigen school. De leerlingenraad en de mr gaan over de school, maar een landelijk examen wordt niet door je school gemaakt. Je eigen school kan het wel doorgeven. Wie B kiest: de gemeente gaat niet over examens.

Bespreek tot slot de drie vragen samen: bij een probleem op school begin je bij de leerlingenraad of studentenraad, bij een probleem in de buurt bij de gemeente, en bij een probleem in heel Nederland bij een landelijke organisatie of de politiek.

Zonder devices: leerlingen steken 1, 2, 3 of 4 vingers op.

Het planbord

1

Wat is het probleem?

2

Waarom vinden wij het belangrijk?

3

Wat gaan we doen? Kies twee middelen.

4

Wie beslist, en via wie komen we daar?

5

Wanneer zijn we tevreden?

Uitleg planbord, 2 minuten. Loop de vijf stappen langs met een voorbeeld, zodat de teams weten wat er van ze verwacht wordt.

Voorbeeld: 1. De fietsenstalling is niet overdekt. 2. Wie op de fiets komt, zit in de winter met een natte jas in de les. Dat gaat de halve school aan. 3. Een enquête onder leerlingen en een mail aan de schoolleiding. 4. De schoolleiding beslist. We gaan erheen via de leerlingenraad. 5. We zijn tevreden als er over een jaar een overkapping staat, of als er een plan met een datum is.

Draagvlak: hoe meer mensen achter je plan staan, hoe groter de kans dat de beslisser ja zegt. Stap 2 laat zien waarom anderen je moeten steunen, stap 4 wie beslist en wie je nodig hebt om daar te komen.

Verwachte misvatting: "Een plan moet groot zijn." Nee: een klein plan dat echt kan, is beter dan een groot plan dat nooit gebeurt.

Aan de slag

Kies met je team één probleem van de klaagmuur.

Vul de vijf stappen van het planbord in.

Je hebt 10 minuten.

10

m

00

s

Welke middelen?

?

Teamwerk, 12 minuten (2 minuten om in teams te gaan zitten en een probleem te kiezen, 10 minuten werken). Maak zes teams van 4 of 5 en geef elk team een nummer van 1 tot 6. Dat nummer hebben ze straks nodig bij het stemmen. Elk team kiest één probleem van de klaagmuur, of een probleem uit les 2. Zet de antwoorden van de klaagmuur (slide 4) eerst nog even op het bord, of laat ze zien op een tweede scherm. Start dan de timer.

Klik op het vraagteken bij "Welke middelen?" voor middelen die bij school en buurt passen. Een boycot of naar de rechter past zelden bij een probleem op school.

Loop rond en stel vragen: is het probleem duidelijk? Is het plan haalbaar? Wie beslist er echt? Hebben jullie twee middelen gekozen, met aandacht én een beslisser, zoals in les 2?

Elk team vult het werkblad Planbord in en verdeelt alvast de vier punten van de pitch: wie vertelt wat?

Verwachte misvatting: "We moeten alles zelf oplossen." Nee: je plan zegt juist wie je nodig hebt. De beslisser moet het uiteindelijk doen.

De pitch

Eén minuut, ieder één punt:

  1. Ons probleem en waarom het telt

  2. Ons plan

  3. Wie beslist

  4. Wanneer we tevreden zijn

1

m

00

s

Pitches, 10 minuten: zes teams, één minuut per pitch en een halve minuut voor feedback. Start de timer voor elk team opnieuw. Elk teamlid vertelt één van de vier punten. Zit je met vijf in een team, dan opent de vijfde de pitch met het teamnummer.

Zeg vóór de eerste pitch waar de klas straks op stemt: is het probleem duidelijk, is het plan haalbaar, en weet het team wie er beslist? Is er aandacht én een beslisser, zoals in het actiespel van les 2?

De vier punten volgen het planbord: punt 1 is stap 1 en 2, punt 2 is stap 3, punt 3 is stap 4 en punt 4 is stap 5.

Houd de luisteraars actief met een kijkwijzer: een tabel met team 1 tot en met 6 en de drie stemvragen. Na elke pitch zet iedereen een plusje bij wat goed was. Print de kijkwijzer uit de docentenhandleiding, of laat leerlingen de tabel in hun schrift tekenen. Bij het stemmen helpt die tabel om te kiezen.

Na elke pitch geeft één leerling één top en één tip. Let op dat feedback over het plan gaat, niet over de presentatoren.

Verwachte misvatting: "We moeten alles vertellen." Nee: in één minuut kies je wat het belangrijkst is. Het planbord heeft vijf stappen, de pitch maar vier punten.

1

Team 1

2

Team 2

3

Team 3

4

Team 4

5

Team 5

6

Team 6

Welk plan wil jij echt uitvoeren? Niet je eigen team.

Stemmen, 2 minuten. De poll is anoniem. Er zijn zes opties. Zijn er minder teams, dan blijven de overige leeg. Zijn er meer dan zes teams? Laat dan stemmen met handen opsteken, of met stippen.

Zonder devices: elke leerling krijgt drie stippen (stickers of een stift) en zet die op de werkbladen of de post-its van andere teams. Je mag je stippen verdelen, maar niet op je eigen plan zetten.

Bespreek kort: waarom kreeg dit plan de meeste stemmen? Wat maakt een plan overtuigend? (Een duidelijk probleem, een haalbaar plan, en het team weet wie er beslist.)

Van plan naar actie

Het winnende plan verdient een kans.

Wie brengt het naar de beslisser uit stap 4?

Wat is de eerste stap, en wanneer?

Echte vervolgstap, 2 minuten. Deze slide is een keuze van de docent. Wil je dat het winnende plan echt verder gaat? Spreek dan met de klas af wie het plan naar de beslisser uit stap 4 van het planbord brengt, en wanneer. Gaat het over school, dan is dat meestal de leerlingenraad of studentenraad. Gaat het over de buurt, dan de gemeente of de jongerenraad. Help het team daarbij, zodat het gehoord wordt.

Wil je dat niet, of past het niet bij het plan? Sla deze slide dan over, of vraag alleen: wat zou de eerste stap zijn?

Verwachte misvatting: "Het is maar een opdracht." Plannen van leerlingen worden soms echt uitgevoerd. Een leerlingenraad of studentenraad is vaak blij met goede ideeën. Image credit: Brooke Cagle / Unsplash

1

Ik kan het goed uitleggen aan een ander

2

Ik snap het grotendeels

3

Ik snap het een beetje

4

Ik snap het nog niet

Hoe goed kun jij nu een plan maken om iets te veranderen?

Terugkijken, 1 minuut. De poll is anoniem.

Zonder devices: leerlingen steken 1, 2, 3 of 4 vingers op (1 = ik kan het goed uitleggen, 4 = ik snap het nog niet), met de ogen dicht.

Kiezen veel leerlingen voor "een beetje" of "nog niet"? Loop dan samen het planbord (slide 10) nog eens langs met het winnende plan als voorbeeld.

Wat neem jij mee uit Meedoen!?

En wat ga jij zelf doen, nu of later?

Reflectie op de hele reeks, 3 minuten. Met devices: leerlingen typen een antwoord, eventueel anoniem. Zonder devices: leerlingen schrijven het voor zichzelf op.

Er is geen goed of fout antwoord. Laat leerlingen merken dat kleine stappen ook tellen: meedenken in de leerlingenraad, een petitie delen, iemand helpen.

Let op: laat antwoorden alleen voorlezen als de leerling dat wil.

Begrippenlijst

Leerlingenraad of studentenraad - een groep leerlingen of studenten die meepraat namens iedereen.

Medezeggenschapsraad (mr) - ouders, personeel en leerlingen die meebeslissen over de school (vo).

Gemeenteraad - gekozen inwoners die de belangrijkste besluiten van de gemeente nemen.

Inspreken - bij de gemeente zelf je mening geven over een onderwerp, voordat er een besluit valt.

Jongerenraad - jongeren die de gemeente advies geven.

Draagvlak - hoeveel mensen achter je plan staan.

De begrippen uit deze les, 1 minuut. Laat leerlingen ze eventueel overnemen in hun schrift.