VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
Ongelijkheid en beleid
Examenstof maatschappijwetenschappen havo
VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
Ongelijkheid en beleid
Examenstof maatschappijwetenschappen havo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: C5 (12.1-12.4), C6 (13.1-13.3). Image credit: Bart Molendijk / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0
VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
Wat ga je kunnen?
Ik kan beschrijven hoe maatschappelijke ontwikkelingen sociale ongelijkheid beïnvloeden en hoe de overheid en politieke stromingen daarmee omgaan.
This item has no instructions
Wat is er veranderd sinds de tijd van je (groot)ouders, en wat heeft dat met kansen te maken?
Laat leerlingen woorden inbrengen. Verwachte woorden: studeren, computer, internet, werk, baan, vrouwen, stemrecht, uitkering, belasting, flexwerk, kinderopvang, buitenland. Groepeer op het bord: wat veranderde in de samenleving (blok 1 en 2), welke rechten kwamen erbij (blok 2) en wat doet de overheid eraan (blok 3). Hoofdconcepten: verandering en verhouding.
Studenten in een collegezaal van de VU, Amsterdam, 1987
VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
Meer kansen dan vorige generaties
Het aandeel studenten uit lage sociale milieus in het hoger onderwijs is de afgelopen decennia gestegen.
Jongvolwassenen met een migratieachtergrond (ook tweede generatie) maakten een stevige inhaalslag.
Ook het aandeel meisjes in het hoger onderwijs is fors gestegen.
Bij migranten daalt het aantal werkenden in lagere beroepen en stijgt het in hogere beroepen.
Syllabus 12.1: veranderingen in kansen ten opzichte van vorige generaties. Het percentage studenten aan universiteiten en hogescholen uit lage sociale milieus is gestegen; dat geldt ook voor (tweedegeneratie) jongvolwassenen met een migratieachtergrond, die de laatste twee decennia een stevige inhaalslag maakten. Ook het percentage meisjes in het hoger onderwijs steeg fors. Bij migranten daalt het percentage in elementaire en lagere beroepen en bezetten zij en hun kinderen aanzienlijk vaker hogere en wetenschappelijke beroepen. Onder mensen met een Nederlandse achtergrond neemt het aantal werkenden in lagere beroepen ook af, maar minder dan onder migranten. Dit is het hoofdconcept verandering. Veelgemaakte fout: denken dat er geen ongelijkheid meer is. De syllabus beschrijft een inhaalslag, geen gelijkheid. Vraag bij de foto uit 1987: wie zie je hier wel en wie zou je nu meer verwachten? Image credit: Bart Molendijk / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0
Containerterminal op de Maasvlakte, Rotterdam, 2018
VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
Globalisering en Europeanisering
Staten beperken het vrije verkeer van geld, mensen, informatie, goederen en diensten zo weinig mogelijk.
Westerse landen verloren voordelen in kennis en productiviteit. Hun loonkosten zijn hoog.
Kapitaal en werk verdwijnen naar het buitenland: werkgelegenheid in eigen land komt onder druk.
Migratie van arm naar rijk kan een nieuwe onderklasse van migranten met lage inkomens geven.
Syllabus 12.2 (Europeanisering en globalisering): in EU-verband en mondiaal verplichten staten zich zo min mogelijk beperkingen op te leggen aan het vrije verkeer van geld, personen, informatie, goederen en diensten. Dat vergroot de onderlinge afhankelijkheid. De relatieve voordelen van westerse economieën in kennis, transport en productiviteit zijn afgenomen of verdwenen, loonkosten zijn relatief hoog, kapitaal en werkgelegenheid verdwijnen naar het buitenland en de ongelijkheid in eigen land kan toenemen. Aan de andere kant kunnen bedrijfstakken hun afzetmarkten uitbreiden en kunnen sommige werknemers makkelijker een baan in het buitenland vinden. Er zijn dus winnaars en verliezers. Veelgemaakte fout: globalisering alleen als nadeel zien. Foto: de haven als knooppunt van goederenstromen. Image credit: Adl252 / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
Digitalisering en de digitale kloof
Door digitalisering van informatie spreken we van de digitale kloof.
Mensen met sterke posities gebruiken nieuwe technologie beter om hun positie te verbeteren.
Zij hebben makkelijker toegang tot informatie en gebruiken sociale media voor hun netwerk.
De verschillen in digitale vaardigheden zijn groot tussen jongeren en ouderen en tussen lager en hoger opgeleiden.
Lager opgeleiden komen daardoor moeilijker aan werk of maken minder snel promotie.
Syllabus 12.2 (informatisering en digitalisering): degenen met de sterkste posities zijn beter in staat de nieuwe technologie als instrument te gebruiken om hun positie te verbeteren; zij vinden gemakkelijker toegang tot informatiebronnen, kunnen via sociale media meer gebruik maken van netwerken (sociaal kapitaal, zie de les sociale ongelijkheid) en houden hun vaardigheden beter op peil. Volgens de syllabus is de achterstand van inactieven en Nederlanders met een migratieachtergrond relatief kleiner. Veelgemaakte fout: de digitale kloof zien als een kloof tussen mensen mét en zonder computer. Het gaat om het kunnen gebruiken als instrument.
Wat is een gevolg van globalisering voor werk in een rijk land?
Werk kan naar het buitenland verdwijnen
Er komen alleen maar meer banen
Loonkosten dalen vanzelf in het land
De overheid bepaalt waar bedrijven werken
Syllabus 12.2: relatief hoge loonkosten zorgen ervoor dat kapitaal en werkgelegenheid naar het buitenland verdwijnen. Verwachte fout: de eerste optie, door alleen de voordelen te zien. De syllabus noemt ook voordelen, maar niet 'alleen maar meer banen'.
Vul in
Mensen met sterke posities benutten internet beter. Dit verschil heet de digitale kloof. Lager opgeleiden vinden daardoor moeilijker een baan op de arbeidsmarkt.
Syllabus 12.2: digitale kloof. Verwachte fout: 'culturele kloof', omdat de term op cultuur lijkt.
VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
Een hoger opleidingsniveau
Het gemiddelde opleidingsniveau is aanzienlijk gestegen.
Daardoor zijn de opleidingseisen voor een bepaald type werk steeds hoger geworden: diploma-inflatie.
Een goede baan met carrièremogelijkheden hangt steeds meer af van hogere onderwijsdiploma's.
Syllabus 12.2 (stijging opleidingsniveau): het gemiddelde opleidingsniveau is aanzienlijk gestegen, waardoor de opleidingseisen voor een type werk zijn opgeschroefd: diploma-inflatie. De mogelijkheid om een veeleisende en goed beloonde baan met carrièremogelijkheden te krijgen hangt steeds meer af van hogere onderwijsdiploma's. Dit is positieverwerving (zie de les sociale ongelijkheid en stratificatie). Veelgemaakte fout: diploma-inflatie opvatten als dat diploma's minder kosten. Het gaat om meer diploma's nodig hebben voor hetzelfde werk.
VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
De postindustriële samenleving
Meer mensen werken in de dienstensector, minder mensen in de industrie.
We noemen onze samenleving daarom postindustrieel.
Het statusverschil tussen hoofdarbeid en handarbeid is afgenomen.
Het belang van een goede opleiding voor je maatschappelijke positie is toegenomen.
Syllabus 12.2 (ontwikkeling naar postindustriële samenleving): het aantal mensen in de dienstensector nam toe en in de industriële sector af. Daardoor is het statusonderscheid tussen hoofd- en handarbeid afgenomen en het belang van een goede opleiding voor de maatschappelijke positie toegenomen. Veelgemaakte fout: denken dat handarbeid verdwenen is of dat opleiding minder belangrijk werd.
Aletta Jacobs, eerste Nederlandse vrouwelijke arts en voorvechter van vrouwenkiesrecht (rond 1900)
VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
Veranderende man-vrouwverhouding
De laatste decennia hebben vrouwen macht gewonnen ten opzichte van mannen.
De emancipatiebeweging van vrouwen vergrootte hun maatschappelijke mogelijkheden.
Toch is de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen nog altijd aanzienlijk.
Verandering in taakverdeling in het gezin veranderde de identiteit van mannen en vrouwen.
Syllabus 12.2 (veranderende man-vrouw verhouding): vrouwen wonnen macht ten opzichte van mannen; de emancipatiebeweging droeg bij aan toegenomen maatschappelijke mogelijkheden. Desondanks blijft de ongelijkheid aanzienlijk. Veranderingen in hiërarchie en taakverdeling binnen het gezin (domein B, zie de les gezin en samenlevingsvormen) veranderden de identiteit van mannen en vrouwen. Herhaal de emancipatie niet uitgebreid. Veelgemaakte fout: denken dat de ongelijkheid verdwenen is. Image credit: Max Böttinghausen / Wikimedia Commons, publiek domein
Vrouwen uit Enkhuizen in de demonstratie voor vrouwenkiesrecht, Amsterdam, 1916
VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
Meer rechten voor burgers
Begin 19e eeuw: burgers waren een sociale groep die zich onderscheidde van een onderlaag van armen.
Grondwetswijziging 1848: rechtstreekse verkiezingen, maar nauwelijks meer stemgerechtigden.
Vrouwen en veel mannen werden uitgesloten van politieke rechten: sekse en positie bepaalden de macht.
Vanaf de jaren 1870 een grotere rol voor de staat. Daarna het algemeen kiesrecht: gelijke politieke rechten, ongeacht sekse of status.
Jaren vijftig van de 20e eeuw: einde van de handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen.
Syllabus 12.3: in de gesloten samenleving van begin negentiende eeuw waren burgers een sociale groep. Met de Grondwetswijziging van 1848 werden rechtstreekse verkiezingen ingevoerd, maar het aantal stemgerechtigden werd nauwelijks uitgebreid. Conservatieven en liberalen vonden dat een groot deel van de mannen niet over de vermogens beschikte om politieke rechten uit te oefenen; die groep werd, net als alle vrouwen, uitgesloten. Vanaf de jaren zeventig van de 19e eeuw vond men dat de staat een grotere rol moest hebben in het realiseren van rechten van burgers (sociale kwestie en onderwijs). Dit leidde tot het algemeen kiesrecht. Dat gold niet voor de inlandse bevolking van de Nederlandse koloniën. Wettelijke gelijkheid voor vrouwen kwam pas in de loop van de twintigste eeuw: tot in de jaren vijftig waren gehuwde vrouwen niet gelijk voor de wet (handelingsonbekwaamheid). Veelgemaakte fout: 1848 verwarren met algemeen kiesrecht. Image credit: Onbekend / Polygoon / Spaarnestad Photo / Wikimedia Commons, publiek domein
Een kantoorbaan die vroeger een mbo-diploma vroeg, vraagt nu een hbo-diploma. Wat is dit?
Postindustrialisering
De digitale kloof
Algemeen kiesrecht
Diploma-inflatie
Syllabus 12.2: diploma-inflatie, opleidingseisen voor hetzelfde type werk worden opgeschroefd. Verwachte fout: postindustrialisering, omdat het om werk en opleiding gaat.
Vul in
In een postindustriële samenleving werken meer mensen in de dienstensector dan in de industrie. Daardoor is het belang van opleiding voor je positie groter geworden.
Syllabus 12.2. Verwachte fout: 'agrarische' of 'landbouwsector', omdat leerlingen de eerdere samenleving noemen in plaats van de huidige.
Zet op volgorde, van vroeg naar laat
Syllabus 12.3. De rechtstreekse verkiezingen van 1848 kwamen eerst, in de jaren zeventig van de 19e eeuw vond men dat de staat meer rechten moest realiseren, dat leidde tot algemeen kiesrecht, en pas in de jaren vijftig van de 20e eeuw eindigde de handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen. Verwachte fout: algemeen kiesrecht als laatste zetten, omdat vrouwen later gelijk voor de wet werden.
VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
Nieuwe verschillen in inkomen en werk
Inkomensongelijkheid nam in de 20e eeuw af, maar na 1985 weer toe.
Vooral de vermogensverschillen zijn gegroeid, en die zijn in Nederland internationaal gezien groot.
De overheid legt sinds de jaren tachtig meer nadruk op eigen verantwoordelijkheid: minder bescherming door collectieve regelingen.
Het aantal flexwerkers en zzp'ers groeit. Flexwerkers hebben vaak een zwakkere positie dan werknemers met een vast contract.
Syllabus 12.4: de inkomensongelijkheid nam in de loop van de twintigste eeuw af en na 1985 weer toe. Doordat de overheid sinds de jaren tachtig meer nadruk legt op eigen verantwoordelijkheid kunnen zwakkere groepen minder rekenen op bescherming van collectieve regelingen. Niet de inkomensverschillen, maar vooral de vermogensverschillen zijn gegroeid. Flexwerkers zijn werknemers met een aanstelling van minder dan een jaar of met een wisselend aantal uren; zzp'ers zijn zelfstandigen zonder personeel. Door de vergrijzing is het aandeel ouderen toegenomen; zij hebben vaak een goede opleiding, een redelijk inkomen en politieke macht. Dubbele marginalisering dreigt voor gekleurde minderheidsgroepen met een lage scholingsgraad. Veelgemaakte fout: inkomen en vermogen door elkaar halen. Vermogen is wat je bezit.
Wandtegels in een Rotterdamse buurt, 2012
VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
Instrumenten van de overheid
Verzekeren tegen inkomensverlies en zorg bieden aan wie onvoldoende mee kan komen.
Herverdelen via belasting, premies en subsidies: inkomensverschillen verkleinen.
Onderwijsbeleid gericht op minder sociale ongelijkheid.
Wijkgericht achterstandsbeleid en actief arbeidsmarktbeleid.
Syllabus 13.1: instrumenten om sociale ongelijkheid te beïnvloeden: (1) mensen verzekeren tegen bepaalde vormen van inkomensverlies en zorg bieden voor mensen die door fysieke of cognitieve beperkingen onvoldoende mee kunnen komen; (2) ongelijkheid in de inkomensverdeling neutraliseren of verminderen via belasting- en premieheffing en subsidies (herverdeling); (3) onderwijsbeleid; (4) wijkgericht achterstandsbeleid; (5) actief arbeidsmarktbeleid. De verzorgingsstaat is het geheel van zulke voorzieningen (zie de les gezin en samenlevingsvormen). Veelgemaakte fout: instrumenten alleen als uitkeringen zien. Ook onderwijs, wijken en arbeidsmarkt horen erbij. Vraag bij de foto: welk instrument zou je in een wijk met veel achterstand inzetten? Image credit: FaceMePLS / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
Fietsenstalling in Scheveningen, bemand door werklozen met behoud van uitkering, 1983
VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
Effecten van overheidsbeleid
Positief: een redelijk bestaansminimum geeft minder ongelijkheid en meer sociale cohesie.
Positief: onderwijs- en arbeidsmarktbeleid verkleinen kansenongelijkheid tussen groepen.
Negatief: hoge uitgaven geven hoge lasten en kunnen bedrijven en groei schaden.
Negatief: minder prikkel om te werken en minder doelmatige inzet van middelen.
Syllabus 13.2: of een effect positief of negatief is, hangt samen met politieke overtuiging. Positief: werklozen, gehandicapten en arbeidsongeschikten kunnen een redelijk bestaansminimum handhaven, waardoor de ongelijkheid afneemt en de sociale cohesie wordt bevorderd; de beloningsongelijkheid kan afnemen; onderwijs- en arbeidsmarktbeleid kunnen de kansenongelijkheid verminderen tussen bijvoorbeeld mannen en vrouwen, lagere en hogere klassen, gevestigden en nieuwkomers. Negatief: te hoge uitgaven geven hoge belasting- en premiedruk, een verslechterende concurrentiepositie van bedrijven, afnemende groei en stijgende werkloosheid, waardoor de uitgaven aan sociale zekerheid verder stijgen en betaalbaarheidsproblemen kunnen ontstaan; minder prikkel om te werken of een uitkering te verlaten; en te weinig doelmatige inzet van middelen, verstoring van marktwerking en minder particulier initiatief. Houd dit neutraal: de beoordeling hangt af van politieke overtuiging. Veelgemaakte fout: één kant als 'het juiste antwoord' presenteren. Image credit: Marcel Antonisse / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0
VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
Politieke stromingen over de overheid
Liberalen: nadruk op eigen verantwoordelijkheid en initiatief, beperkte overheid, lagere belastingen, deels particulier verzekeren.
Sociaaldemocraten: een grotere rol voor de overheid voor meer gelijkheid, minder vertrouwen in de vrije markt.
Confessionelen: nadruk op gespreide verantwoordelijkheid: maatschappelijke organisaties nemen taken uit handen van de staat.
Confessionelen: de overheid schept de randvoorwaarden en zorgt voor wie niet voor zichzelf kan zorgen.
Syllabus 13.3: oorspronkelijke opvattingen. Liberalen leggen de nadruk op eigen verantwoordelijkheid en eigen initiatief, dereguleren en privatiseren, voorkeur voor beperkte overheidsbemoeienis; werkgelegenheid vergroten door belastingen te verlagen; burgers kunnen zich deels particulier verzekeren; uitzondering als de vrije markt ontbreekt of mislukt. Socialisten en sociaaldemocraten leggen de nadruk op een wat grotere rol voor de overheid om gelijkheid te bevorderen, hebben meer vertrouwen in de instrumenten van 13.1, vinden dat de markt aan regels gebonden moet worden en leggen veel nadruk op behoud van werkgelegenheid om de verzorgingsstaat betaalbaar te houden. Confessionelen leggen de nadruk op gespreide verantwoordelijkheid, streven naar een staatsvrije ruimte waarin levensbeschouwelijke waarden veilig zijn; maatschappelijke organisaties voeren taken uit, de overheid schept randvoorwaarden en zorgt voor mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Veelgemaakte fout: confessionele gespreide verantwoordelijkheid verwarren met eigen verantwoordelijkheid. Houd neutraal, geen voorkeur voor een stroming; noem geen actuele partijen.
Wat nam sinds 1985 vooral toe in Nederland?
Het aantal mensen in de industrie
De vermogensverschillen
Het aantal vaste contracten
De bescherming door collectieve regelingen
Syllabus 12.4: niet de inkomensverschillen, maar vooral vermogensverschillen zijn gegroeid. De syllabus zegt wel dat de inkomensongelijkheid na 1985 weer toenam. Verwachte fout: de tweede optie, omdat 'inkomen' bekender klinkt; het woord 'vooral' en 'alle groepen' maken die optie fout.
Noem twee instrumenten van de overheid.
Twee van: verzekeren tegen inkomensverlies en zorg, herverdelen via belasting, premies en subsidies, onderwijsbeleid, wijkgericht achterstandsbeleid, actief arbeidsmarktbeleid. Verwachte fout: 'wetten maken' of 'straffen', geen syllabusinstrument.
Welke stroming legt de nadruk op gespreide verantwoordelijkheid?
De confessionele stroming
De liberale stroming
De sociaaldemocratische stroming
Geen van de stromingen
Syllabus 13.3. Verwachte fout: liberaal, door gespreid te verwarren met eigen verantwoordelijkheid.
Wat vond je vandaag het lastigst?
De ontwikkelingen uit 12.2 koppelen aan ongelijkheid
De instrumenten van de overheid
De effecten beoordelen
De standpunten van de stromingen
Gebruik de uitslag om les 2 te beginnen met het lastigste onderdeel.
Leg uit: digitalisering en ongelijkheid.
Goed antwoord: digitalisering vergroot ongelijkheid, omdat mensen met sterke posities technologie beter als instrument benutten dan lager opgeleiden of ouderen (digitale kloof), die daardoor moeilijker aan werk komen. Ook goed: een andere ontwikkeling uit 12.2 met uitleg. Verwachte fout: de ontwikkeling noemen zonder de koppeling aan ongelijkheid.
VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
Begrippen (1/2)
postindustriële samenleving: samenleving waarin meer mensen in de dienstensector dan in de industrie werken
digitale kloof: verschil in het gebruik van digitale technologie als instrument om je positie te verbeteren
diploma-inflatie: door een hoger opleidingsniveau stijgen de opleidingseisen voor hetzelfde werk
algemeen kiesrecht: dezelfde politieke rechten ongeacht sekse, sociale status of culturele achtergrond
flexwerker: werknemer met een aanstelling van minder dan een jaar of met een wisselend aantal uren
This item has no instructions
VERHOUDING · ONTWIKKELINGEN EN BELEID
Begrippen (2/2)
herverdeling: ongelijkheid in inkomen verkleinen via belasting- en premieheffing en subsidies
achterstandsbeleid: wijkgericht overheidsbeleid tegen achterstanden
actief arbeidsmarktbeleid: overheidsbeleid dat mensen helpt om (weer) aan het werk te komen
eigen verantwoordelijkheid: liberale nadruk op eigen initiatief en een beperkte overheid
gespreide verantwoordelijkheid: confessionele nadruk op taken voor maatschappelijke organisaties naast de overheid
This item has no instructions