DISK thema 9 - opstart - vergrotende/overtreffende trap

Thema 9 uiterlijk
1 / 47
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Thema 9 uiterlijk

Slide 1 - Slide

Wat leer je vandaag?

1.  Ik kan het uiterlijk van personen beschrijven.
Bijvoorbeeld: De lange jongen heeft bruine ogen en zwart haar. Hij draagt een spijkerbroek en een zwarte trui.


2. Ik kan vergelijkingen maken met de trappen van vergelijking.
Bijvoorbeeld: Mijn rode broek is mooier dan mijn zwarte broek, maar mijn blauwe broek is het mooist.

Slide 2 - Slide

Hoe leer je dat?

- We praten over uiterlijk.
- We kijken naar foto's en beschrijven personen.
- We maken oefeningen met de trappen van vergelijking.
Waarom leren we dat?

Dit zijn belangrijke vaardigheden om iets te beschrijven, ook voor de Jij!-toetsen is het belangrijk dat je bijvoeglijk naamwoorden gebruikt.

Slide 3 - Slide

uiterlijk in je eigen taal

Slide 4 - Mind map

Aan = to


Ik geef dit cadeau aan Sara, want zij is jarig.

Slide 5 - Slide

aardig
  • lief 
  • vriendelijk
  • zin: De docent is heel aardig.
  • zin: De aardige buurman.

Slide 6 - Slide

als = if
Als ik later groot ben, wil ik astronaut worden.

Slide 7 - Slide

bang

Slide 8 - Slide

bang = scared

Slide 9 - Slide

durven
  • moed hebben
  •  werkwoord
  • ik durf - wij durven
  • zin: Ik durf te zwemmen.
  • zin: Wij durven in de klas te zingen.

Slide 10 - Slide

het idee
  • een plan 
  • Zin: Ik heb een goed idee.
  • Zin: Het idee is heel leuk.

Slide 11 - Slide

Kennen
  • Kennen jullie dat spel niet?
  • Werkwoord.
    Ik ken / Ik kende

Slide 12 - Slide

de mens > man
persoon, man, vrouw, kind

Slide 13 - Slide

thema 9 uiterlijk
Praten en schrijven

Slide 14 - Slide

Praten over het thema 

Sta je ’s morgens lang voor de spiegel?
Is het belangrijk voor jou hoe je eruitziet? 
Welke kleding draag je het liefst?
Waar geef je het meeste geld aan uit?
En er perfect uitzien, hoe doen fotomodellen dat?

Slide 15 - Slide

Vind jij het belangrijk hoe je eruit ziet?
A
Heel belangrijk
B
Een beetje belangrijk
C
Niet zo belangrijk
D
Helemaal niet belangrijk

Slide 16 - Quiz

Welke woorden horen bij uiterlijk?

Slide 17 - Mind map

Iedereen heeft een uniek uiterlijk
Ja, zeker
Ja, dat denk ik wel
Nee, dat denk ik niet
Nee, zeker niet

Slide 18 - Poll

Noem een leerling
Zeg zijn/haar naam en noem je 1 ding over het uiterlijk van deze persoon: Bijvoorbeeld: je hebt bruine ogen. Of je hebt kort haar. Je hebt zwart haar.
Geen mening maar een feit!

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Video

Complimenteer een leerling
Zeg zijn of haar naam en  geef deze persoon een compliment over zijn/haar uiterlijk.
Bijvoorbeeld: je hebt mooi haar, mooie ogen, mooie kleren.

Slide 21 - Slide

Iedereen heeft een uniek uiterlijk
Ja, zeker
Ja, dat denk ik wel
Nee, dat denk ik niet
Nee, zeker niet

Slide 22 - Poll

Beschrijf een persoon
Vertel hoe hij of zij eruit ziet. 
Gebruik feiten, geen meningen.
Je buurman/-vrouw raadt wie het is.

Slide 23 - Slide

Bijvoorbeeld:
- Hij draagt ... een T-shirt/ een spijkerbroek/ een bril/ sportschoenen/....
- Zij heeft ..lang/ kort/ krullend/ blond/ zwart/ stijl/ .. haar.
- Hij heeft ...een baard/een snor/ ... .
- Zij hebben allemaal een jas aan.

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Slide


De trappen van vergelijking

Slide 30 - Slide

De stellende trap maak je met een bijvoeglijk naamwoord:

Bijvoorbeeld:
De stad is mooi.
Het haar is lang.
De auto is duur.
De muziek is goed.

Slide 31 - Slide

De vergrotende trap maak je door "er" aan het bijvoeglijk naamwoord toe te voegen. Je vergelijkt twee dingen met elkaar en zet "dan" achter de vgt.


Bijvoorbeeld:
Den Haag is mooier dan Amsterdam.
Het haar van Manoes is langer dan dat van Lot.
Een BMW is duurder dan een Honda.
De muziek van Tjaikovsky is beter dan dat van Mahler.

Slide 32 - Slide

De overtreffende trap maak je door "st" aan het bijvoeglijk naamwoord toe te voegen. Als je het zelfstandig gebruikt zet je er "het" voor.

Bijvoorbeeld:
Leiden is het mooist.
Het haar van Bianca is het langst. 
Een Maserati is het duurst.
De muziek van Bach is het best.

Slide 33 - Slide

Slide 34 - Slide

Slide 35 - Slide

De vragen zijn veel ..................... ....................ik had verwacht.
A
het moeilijker
B
moeilijker dan
C
het moeilijkst
D
de moeilijkst

Slide 36 - Quiz

Wie is ........................ ............................. zanger van Nederland?
A
het best
B
betere dan
C
de beste
D
het beter

Slide 37 - Quiz

Messi is goed, maar Johan Cruijff was ....................... ........................
A
goeder dan
B
beter dan
C
het bester
D
het best

Slide 38 - Quiz

Waar vind je ...................... ........................ vogels?
A
de meeste
B
het meest
C
meer als
D
meerdere zijn

Slide 39 - Quiz

Nederlanders gaan graag naar Spanje, maar gaan ...................... ....................... naar Frankrijk.
A
het liever
B
graag dan
C
het liefst
D
liever dan

Slide 40 - Quiz

Pax is ...................... ....................... hondje van de hele wereld.
A
liever dan
B
de liever
C
liefst dan
D
het liefste

Slide 41 - Quiz

De kleine ijsbeer is ..................... .................... de kleine olifant.
A
bijzonderder dan
B
heel bijzonder
C
het bijzonderst
D
dan bijzonder

Slide 42 - Quiz

Eerlijkheid duurt .................... ......................
A
langer dan
B
de langer
C
de langste
D
het langst

Slide 43 - Quiz

Ik vind chocola ___________ drop. (lekker)

Slide 44 - Open question

Deze boom is ___________ dat huis. (hoog)

Slide 45 - Open question

Van alle schoenen vind ik dit paar sneakers ________ (mooi).

Slide 46 - Open question

Wat zie je?
Gebruik 'aan het'
+ infinitief

schrijf de zin op!

Slide 47 - Slide