Observeren en rapporteren (BO2)
les 5 - OA - leerjaar 2
Observeren en rapporteren (BO2)
les 5 - OA - leerjaar 2
Programma
A&A
Terugblik
Lesdoelen
Theorie: observeren in de praktijk
Zelfstandig aan de slag
Afsluiting
Aan- en afwezigheid
Telefoon of laptop aan? Alleen voor LessonUp!
Planning
Zie de weekplanning op It's Learning voor de opdrachten
Afronding vak
Eindopdrachten 4.17 en 4.18
Observatieplan (format)
Inzet en aanwezigheid
Inleverdatum: uiterlijk dinsdag 3 november via It's Learning
Lesdoelen
Aan het einde van de les:
Heb je geoefend met observeren in de praktijk middels opdrachten
Terugblik: welke manieren van observeren zijn er? Geef voorbeelden
Manieren van obsereveren
Open observatie
Gesloten observatie
Participerende observatie
Niet-participerende observatie
Gestructureerde observatie
Ongestructureerde observatie
Open en gesloten observatie
Open observatie (kwalitatieve observatie)
Inhoud van de observatie is nog niet bekend
Gedrag wordt genoteerd
Gesloten observatie (kwantitatieve observatie)
Doel is van tevoren bekend
het gaat om hoe vaak het kind bepaald gedrag vertoont.
Er wordt vaak geturfd of geklokt
Participerende en niet-participerende observatie
Participerende observatie
Je neemt deel aan de observatie, je doet dus mee
Voordeel: je kunt betere vragen stellen en de situatie sturen
Nadeel: Je kunt de observatie beïnvloeden- minder betrouwbaar. Je kunt pas later noteren wat je hebt gezien.
Niet participerende observatie
Je bent 'toeschouwer' en doet dus niet mee
Kiezen voor een observatiemethode
Gestructureerde en ongestructureerde observatie
Gestructureerde observatie
Er zijn vaste afspraken of regels gemaakt over de observatie
Vaak wordt er gewerkt met een observatieplan
Ongestructureerde observatie
Er wordt geobserveerd afhankelijk van de vraag
Het observatieverslag is een beschrijvend verslag vanuit de notities gemaakt
Er zijn geen vaste regels of afspraken
Observeren in de praktijk
Bij observeren verzamel je alleen feiten. Je schrijft op wat je ziet en niet wat je denkt te zien.
Toch geef je vaak (zoals we al ervaren hebben) al een interpretatie aan het gedrag dat je ziet.
Gedrag
Gedrag = alles wat mensen doen of juist niet doen
Gedrag wordt beïnvloed door een stimulus (dat wat eraan voorafgaat) en door een respons/consequentie (wat wat erop volgt).
Bij het observeren van gedrag is het dus belangrijk dat je niet alleen op het gedrag zelf let, maar ook kijkt naar wat eraan voorafgaat en wat erop volgt. Op die manier kun je de oorzaken van het gedrag beter achterhalen
Opdracht 4.10 'Spelobservatie'
Schrijf alles op wat je in de volgende video ziet.
Lees je notities rustig terug en geef aan wanneer je beschrijving objectief is en wanneer je gedrag interpreteert (subjectief)
De situatie waarin je observeert
Kies altijd met zorg de situatie waarin je wilt gaan observeren en beschrijf die in je observatieverslag:
Welke personen zijn bij de observatie betrokken?
Wie zijn tijdens de observatie aanwezig en wat is hun taak/functie?
Welke zaken kunnen invloed hebben op de observatie?
Is de situatie zoals het er normaal gesproken aan toegaat?
Opdracht 4.13 observatieverslag Gijs
Herschrijf onderstaande tekst zodat het een objectief verslag wordt.
Gijs heeft duidelijk zijn dag niet vandaag. Hij zit te klieren en kruipt onder zijn tafel als Karin (pedagogisch medewerker) hem roept. Daarstraks liep hij gillend door de klas en je kon aan zijn ogen zien dat hij het leuk vond. Hij was enorm bezig om grenzen op te zoeken. In het voorbijgaan trok hij Maartje nog even aan haar arm. Dat deed hij zo hard dat Maartje omviel. Ik snap niet dat Karin niet ingrijpt. Ze negeert hem straal. Nou haakt dat rotjoch Pieter pootje.
Zelfstandig aan de slag
Maken opdracht 4.11 en 4.12 (H4 basisboek)
Afsluiting
Vragen?
Zorg dat je bij bent met de opdrachten (zie weekplanning It's Learning)
Volgende week: herfstvakantie
Volgende les: registreren, interpreteren en rapporteren