Woche 17/ 18

Bepaal per zin of het voorzetsel een plaats/tijd (stilstand) - 3e nv of een beweging -4nv aangeeft.

Stilstand/ tijd = 3e naamval (een auto met een lekke band heeft 3 banden en staat stil)
Beweging = 4e naamval (een auto met 4 banden rijdt)
1 / 22
next
Slide 1: Slide
DuitsSecondary Education

This lesson contains 22 slides, with text slides.

Items in this lesson

Bepaal per zin of het voorzetsel een plaats/tijd (stilstand) - 3e nv of een beweging -4nv aangeeft.

Stilstand/ tijd = 3e naamval (een auto met een lekke band heeft 3 banden en staat stil)
Beweging = 4e naamval (een auto met 4 banden rijdt)

Slide 1 - Slide


Stunde 2 - Woche 18
  1. Lesen: Was sie dachten, was wir taten 
  2. Grammatik: Vaste Voorzetsel herhalen 
  3. MO - deel 1 opnemen  en aan mijn email sturen 

Hausaufgaben morgen: 
Neem je Trabitourboek mee!
Schreiben : Lerne S.4 - 9
MO: Lerne Deel 1 uit je hoofd 

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide


Stunde 1 - Woche 18
  1. Lesen: Was sie dachten, was wir taten 
  2. Zinsopbouw -uitleg
  3. Schreiben - verbessern 
  4. MO - deel 1 opnemen  


  1.  Hausaufgaben: 


Slide 4 - Slide


Stunde 1 - Woche 18
  1. Lesen: Was sie dachten, was wir taten 
  2. Zinsopbouw -uitleg
  3. Schreiben - verbessern 
  4. MO - deel 1 opnemen  

Hausaufgaben morgen: 
Neem je Trabitourboek mee!
Schreiben : Lerne S.4 - 9
MO: Lerne Deel 1 uit je hoofd 

Slide 5 - Slide

Satzstellung - Zeit
Zeit: Im deutschen Satzbau gilt die Faustregel: Zeit – Art – Ort  

Am Freitag habe ich einen Wettstreit in der Schule. 
Am Wochenende besuchen wir Bremen.
Die Zeitangabe kann ganz vorne, aber sie kann auch nach dem Verb stehen.
Heute spiele ich Fußball.
Ich spiele heute Fußball.

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Satzstellung - ..., weil
Het verschil tussen Duits en Nederlands bij zinnen met weil draait vooral om de plaats van het werkwoord. Na weil komt een bijzin, en in een Duitse bijzin staat de persoonsvorm helemaal achteraan.
Ich bleibe zu Hause, weil ich krank bin.
Er geht nicht mit, weil er keine Zeit hat.

Slide 8 - Slide

Fehleranalyse - verbessere!
1. (Hoe gaat het) Wo bist du? / Wie geht es mit dir?
2. Ich morgen gehe nach Österreich.
3. Wie viel trainiere du?
4.Ich hatte viel zu tun für Schüle.
5. Welche Films empfehl du? 
6. Ich gehe ins Kino mit meine Freunde. 
7. Ich muss mehr trainieren, weil ich besser wil worden. 

Slide 9 - Slide

Deel 1 MO
Neem een voice memo op op je mobiel. Beantwoord de volgende vragen over jezelf:

- Stell dich vor (Name, Alter, wo du wohnst, etwas über deine Familie, Hobbies, Sport) 
- Was ist dir wichtig im Leben und warum? Familie, Freunde, Umwelt, Soziale Medien, usw. 
- In welche Klasse / Schule gehst du? 
- Was möchtest du nach deinem Realschulabschluss machen? (reisen – wohin?, arbeiten- was? oder studieren- was?) 
- Was war bis jetzt dein Lieblingsurlaub? (Wo warst du, mit wem, was war so besonders?) 

Lever in via Magister - ELO - opdrachten 

Slide 10 - Slide

Hausaufgaben morgen
  1. Neem je Trabitourboek mee!
  2. Schreiben : Lerne S.4 - 9
  3. MO: Lerne Deel 1 uit je hoofd 

Slide 11 - Slide

Üben 

Slide 12 - Slide

Vaste Voorzetsels
Ich fahre mit mijn ....................... Eltern (mv) nach Spanien.
Er hat ein Geschenk für zijn .................. Freundin gekauft.
Von hem ......... habe ich noch nichts gehört.

Fertig? S.123 - A.18

Slide 13 - Slide

Aufgaben bearbeiten
Bearbeitet in Zweiergruppen: Aufgabe 40 & 41 (S.138 - gebruik S.149 voor uitleg)

Fertig? Begin met deel 2 Duits MO

Hausaufgaben: Lerne Schreibfertigkeitenbuch & MO (Teil 1 & 2 fertigstellen)

Slide 14 - Slide

Üben: Wo/ Wann / Wohin? (S.149)
1. Mein Glas fällt auf (de) Boden [m].
2. Heute Abend gehen wir in (de) Disko [v].
3. Ich bin an (een) Freitag [m] geboren.
4. Der Bahnhof liegt hinter (onze) Schule [v].

Slide 15 - Slide


Stunde 3 - Woche 18
  1. Lesen: Was sie dachten, was wir taten 
  2. Schreiben: Aanpak 
  3. zusammen Schreiben 

Hausaufgaben für nächste Woche: 
Schreiben : Lerne S.4 - 9 (SO)
MO: Lerne Deel 1 uit je hoofd & bereid deel 2 voor

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Schreiben
Je schrijft een brief aan Marc. Jullie hebben elkaar bij een taalcursus in Berlin leren kennen. Marc heeft je uitgenodigd om met Pasen voor een lang weekend naar Berlijn te komen.

1. Aanhef
2. Vraag hoe het met hem gaat en wat hij in de vakantie heeft gedaan. Vraag of hij het druk heeft op school.
3. Bedankt Marc voor zijn uitnodiging. Vertel dat je graag naar Berlijn komt. Noem twee dingen die je daar graag wil doen. Vraag of je beter met de trein of met de bus kunt komen en of je iets voor hem mee kunt nemen uit Nederland.
4. Afsluiting 



Slide 18 - Slide

Üben 

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide