Voeding en gezondheid (Biologie vmbo), les 2: Examentraining

VOEDING · VOEDING EN GEZONDHEID

Examentraining

Voeding en gezondheid: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining met vier vraagtypen: gegevens uit een tabel halen, maaltijden vergelijken, rekenen met verhoudingen en percentages en redeneren over energie en gezondheid. Acht vragen in examenstijl.

Items in this lesson

VOEDING · VOEDING EN GEZONDHEID

Examentraining

Voeding en gezondheid: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Acabashi / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

VOEDING · VOEDING EN GEZONDHEID

Wat ga je kunnen?

Ik kan gegevens uit tabellen halen, maaltijden vergelijken, rekenen met verhoudingen en redeneren over energie en gezondheid.

This item has no instructions

VOEDING · VOEDING EN GEZONDHEID

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat wordt er gevraagd en welke gegevens heb je?

  • 2. Zoek: vind in de tabel of tekst de juiste regel en kolom.

  • 3. Reken of redeneer: schrijf je berekening of uitleg op.

  • 4. Controleer: klopt de eenheid en past je antwoord bij de vraag?

This item has no instructions

VOEDING · VOEDING EN GEZONDHEID

Vraagtype 1: gegevens uit een tabel halen

  • Je krijgt een voedingsmiddelentabel.

  • Zoek eerst de juiste regel (het product) en dan de juiste kolom (de voedingsstof).

  • Let op de eenheid: kJ of gram, per 100 gram.

  • Vergelijk alle producten voordat je kiest.

This item has no instructions

Welk product bevat per 100 gram het meeste vet?

A

Jonge kaas

B

Volkorenbrood

C

Halfvolle melk

D

Chips

In de kolom vet staat bij chips 35 gram en bij jonge kaas 30 gram. Verwachte fout: kaas kiezen omdat dat bekend staat als vet. Image credit: Eigen afbeelding

Welk product bevat per 100 gram het meeste eiwit?

A

Chips

B

Gekookte rijst

C

Appel

D

Jonge kaas

In de kolom eiwit staat bij jonge kaas 25 gram. Verwachte fout: volkorenbrood kiezen zonder alle regels te vergelijken. Image credit: Eigen afbeelding

VOEDING · VOEDING EN GEZONDHEID

Vraagtype 2: maaltijden vergelijken

  • Je vergelijkt twee maaltijden met een tabel.

  • Lees per maaltijd de gevraagde kolom af.

  • Bij een verschil trek je het kleinste getal af van het grootste.

  • Let op de eenheid.

This item has no instructions

Welke maaltijd bevat de meeste vezels?

A

Maaltijd B

B

Maaltijd A

C

Allebei evenveel

D

Dat is niet te zien

Maaltijd A heeft 8 gram vezels, maaltijd B 4 gram. Verwachte fout: B kiezen omdat die meer energie levert. Image credit: Eigen afbeelding

Hoeveel kJ meer energie levert maaltijd B dan maaltijd A?

A

900 kJ

B

1700 kJ

C

1100 kJ

D

4500 kJ

2800 min 1700 is 1100 kJ. Verwachte fout: de twee getallen bij elkaar optellen (4500) of een rekenfout (900). Image credit: Eigen afbeelding

VOEDING · VOEDING EN GEZONDHEID

Vraagtype 3: rekenen met verhoudingen en percentages

  • Reken om van 100 gram naar een andere hoeveelheid.

  • Halve hoeveelheid, halve waarde. Een kwart van de hoeveelheid, een kwart van de waarde.

  • Percentage: deel gedeeld door het geheel, keer 100.

  • Schrijf de eenheid achter je antwoord.

This item has no instructions

100 g chips: 2200 kJ. Hoeveel kJ in 25 g?

25 g is een kwart van 100 g, dus 2200 : 4 = 550 kJ. Verwachte fout: 2200 delen door 25 of 25 van 2200 afhalen.

Van 2000 kJ komt 500 kJ uit vet. Hoeveel %?

500 : 2000 x 100 = 25 procent. Verwachte fout: 2000 : 500 = 4 als antwoord geven.

VOEDING · VOEDING EN GEZONDHEID

Vraagtype 4: redeneren over energie en gezondheid

  • Je krijgt een situatie en moet een gevolg uitleggen.

  • Vraag je af: wordt er meer energie opgenomen of verbruikt?

  • Denk aan activiteit en temperatuur.

  • Noem het gevolg voor reservestoffen en lichaamsmassa.

This item has no instructions

Daan wandelt in de sneeuw. Waarom kost dat meer energie?

A

Het lichaam moet extra warm blijven

B

In de kou worden minder reservestoffen verbruikt

C

In de kou neemt het lichaam meer vezels op

D

In de kou gaat de ademhaling langzamer

In de kou verbruikt het lichaam extra energie om warm te blijven. Verwachte fout: denken dat kou geen invloed heeft op het energieverbruik. Image credit: Wil540 art / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

Mila neemt evenveel energie op als er verbruikt wordt. Wat gebeurt er met de lichaamsmassa?

A

Die neemt langzaam toe

B

Die blijft gelijk

C

Die neemt langzaam af

D

Die schommelt sterk

Opname en verbruik zijn in evenwicht, dus de lichaamsmassa blijft gelijk. Verwachte fout: denken dat je altijd aankomt als je eet.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Gegevens uit een tabel halen

2

Maaltijden vergelijken

3

Rekenen met verhoudingen en percentages

4

Redeneren over energie en gezondheid

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld.

VOEDING · VOEDING EN GEZONDHEID

Tips voor op het examen

  • Lees de kolomkoppen en let op de eenheid, bijvoorbeeld kJ of gram per 100 gram.

  • Schrijf bij een rekenvraag eerst op waarmee je vermenigvuldigt of deelt.

  • Bij een verschil: groot getal min klein getal.

  • Vraag je bij energie altijd af: meer opgenomen of meer verbruikt?

This item has no instructions