MRI-scanner in een ziekenhuis (foto: Jan Ainali, CC BY 3.0, logo verwijderd)
EXAMENSTOF · B2 · MEDISCHE BEELDVORMING
Examentraining
Medische beeldvorming: zo pak je examenvragen aan
MRI-scanner in een ziekenhuis (foto: Jan Ainali, CC BY 3.0, logo verwijderd)
EXAMENSTOF · B2 · MEDISCHE BEELDVORMING
Examentraining
Medische beeldvorming: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Jan Ainali / Wikimedia Commons, CC BY 3.0, logo verwijderd
EXAMENSTOF · B2 · MEDISCHE BEELDVORMING
Wat ga je kunnen?
Ik kan met een echodiagram en met E = m·c² rekenen en een medische techniek kiezen en beargumenteren.
This item has no instructions
EXAMENSTOF · B2 · MEDISCHE BEELDVORMING
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven, wat wordt gevraagd en welke techniek hoort erbij.
2. Kies: de formule: d = ½·v·t bij een echo, E = m·c² bij annihilatie, I = I0·(½)^(d/d½) bij absorptie.
3. Reken: zet µs, cm en MeV om naar SI waar dat moet en vul in met eenheden.
4. Controleer: eenheid, significante cijfers en of de uitkomst redelijk is.
This item has no instructions
EXAMENSTOF · B2 · MEDISCHE BEELDVORMING
Vraagtype 1: echo door twee lagen
Een echodiagram laat de zendpuls en de echo's zien: lees de tijden af op de tijdas.
Laag 1: d = ½·v1·t1, met t1 de tijd van de eerste echo.
Laag 2: d = ½·v2·Δt, met Δt het tijdverschil tussen de twee echo's.
Reken µs om naar s en geef het antwoord met het juiste aantal significante cijfers.
Syllabus B2.4: ultrasone geluidsgolf en geluidsnelheid in menselijke weefsels. De formule s = v·t en de snelheden worden gegeven of staan in je informatieboek.
De puls gaat door laag 1 (v = 1,50·10³ m/s) en daarna door laag 2. Hoe dik is laag 1?
3,0 cm
0,75 cm
1,5 cm
4,5 cm
Aflezen: eerste echo na 20 µs. d = ½·v·t = ½ · 1,50·10³ · 20·10⁻⁶ = 1,5·10⁻² m = 1,5 cm. Controle: 1,50·10³ · 2,0·10⁻⁵ = 3,0·10⁻² m, de helft is 1,5·10⁻² m. Verwachte fouten: het ½ vergeten (3,0 cm), twee keer halveren (0,75 cm) of de tijd van de tweede echo nemen (4,5 cm). Syllabus B2.4. Image credit: LessonUp, eigen figuur
Laag 2 heeft v = 1,60·10³ m/s. Hoe dik is laag 2?
3,2 cm
4,8 cm
6,4 cm
1,6 cm
Aflezen: echo's na 20 µs en 60 µs, dus Δt = 40 µs. d = ½ · 1,60·10³ · 40·10⁻⁶ = 3,2·10⁻² m = 3,2 cm. Controle: 1,60·10³ · 4,0·10⁻⁵ = 6,4·10⁻² m, de helft is 3,2·10⁻² m. Verwachte fouten: de totale tijd 60 µs gebruiken (4,8 cm), het ½ vergeten (6,4 cm) of twee keer halveren (1,6 cm). Syllabus B2.4. Image credit: LessonUp, eigen figuur
EXAMENSTOF · B2 · MEDISCHE BEELDVORMING
Vraagtype 2: energie bij annihilatie
Gebruik E = m·c² met m de massa van één elektron (of positron).
Elk annihilatiefoton krijgt de rustenergie van één deeltje; samen is dat 2·m·c².
Om te rekenen in MeV deel je door 1,602·10⁻¹⁹ J/eV en door 10⁶.
Paarvorming: de fotonenergie min 2·m·c² is de kinetische energie van het paar.
Syllabus B2.4: annihilatie en creatie van een elektron-positronpaar. De constanten staan in je informatieboek en worden hier gegeven.
Een positron en een elektron annihileren in rust. Bereken de energie van één γ-foton. Neem m = 9,109·10⁻³¹ kg en c = 2,998·10⁸ m/s.
1,637·10⁻¹³ J
8,187·10⁻¹⁴ J
2,731·10⁻²² J
4,094·10⁻¹⁴ J
Gegeven: m = 9,109·10⁻³¹ kg, c = 2,998·10⁸ m/s. E = m·c² = 9,109·10⁻³¹ · (2,998·10⁸)² = 9,109·10⁻³¹ · 8,988·10¹⁶ = 8,187·10⁻¹⁴ J. Controle: 9,109 · 8,988 = 81,87 en 10⁻³¹ · 10¹⁶ = 10⁻¹⁵, dus 81,87·10⁻¹⁵ = 8,187·10⁻¹⁴ J. Verwachte fouten: de energie van beide deeltjes samen (1,637·10⁻¹³ J), c niet kwadrateren (2,731·10⁻²² J) of ½·m·c² (4,094·10⁻¹⁴ J). Syllabus B2.4.
Een γ-foton van 2,50 MeV maakt bij een kern een elektron-positronpaar. De rustenergie van een elektron is 0,511 MeV. Hoeveel kinetische energie hebben de deeltjes samen?
1,99 MeV
2,50 MeV
3,52 MeV
1,48 MeV
Gegeven: Ef = 2,50 MeV, rustenergie per deeltje 0,511 MeV. Rustenergie van het paar: 2 · 0,511 = 1,022 MeV. Ekin = 2,50 − 1,022 = 1,478 MeV; met twee decimalen (2,50) wordt dat 1,48 MeV. Controle: 1,48 + 1,022 = 2,50. Verwachte fouten: maar één rustenergie aftrekken (1,99 MeV), niets aftrekken (2,50 MeV) of optellen (3,52 MeV). Syllabus B2.4 en A8.3.
MRI-opname van een knie (foto: Ptrump16, CC BY-SA 4.0)
EXAMENSTOF · B2 · MEDISCHE BEELDVORMING
Vraagtype 3: MRI redeneren
Noem de keten: sterk veld, radiopuls met de resonantiefrequentie, protonen nemen energie op en geven die af.
Contrast komt door verschil in relaxatietijd tussen weefsels op het meetmoment.
Gebruik de vakwoorden: resonantie en relaxatietijd.
Geef bij een uitleg steeds een oorzaak en een gevolg.
Syllabus B2.4: magnetisch veld en resonantie, omgevingsafhankelijkheid van relaxatietijd. Alleen de context van medische beeldvorming. Foto: MRI-opname van een knie (de opname is gemaakt met een scanner van 1,5 T). Image credit: Ptrump16 / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Twee weefsels hebben evenveel protonen maar een verschillende relaxatietijd. Zie je ze verschillend in het MRI-beeld?
Ja, het signaal op het meetmoment verschilt
Nee, alleen het aantal protonen telt
Nee, MRI laat alleen botten zien
Ja, maar alleen met röntgenstraling erbij
Het signaal dooft per weefsel anders uit, dus op het meetmoment is het signaal verschillend en dus ook het beeld. Verwachte fout: denken dat alleen het aantal waterstofkernen bepaalt wat je ziet. Syllabus B2.4: omgevingsafhankelijkheid van relaxatietijd.
Een radiopuls heeft een andere frequentie dan de resonantiefrequentie. Wat gebeurt er met de protonen?
Ze annihileren en zenden γ-fotonen uit
Ze nemen méér energie op en geven meer signaal
Ze nemen vrijwel geen energie op, dus geen signaal
Ze worden geïoniseerd en verlaten het weefsel
Alleen bij de resonantiefrequentie nemen de protonen veel energie op. Verwachte fouten: annihilatie (hoort bij PET), of denken dat een hogere energie altijd meer effect geeft; ioniseren doet een radiopuls niet. Syllabus B2.4: resonantie.
EXAMENSTOF · B2 · MEDISCHE BEELDVORMING
Vraagtype 4: een techniek kiezen
Bepaal wat je moet zien: bouw van bot, bouw van zacht weefsel of de werking van een orgaan.
Weeg de patiënt mee: zwangerschap, kind, pacemaker, implantaat.
Noem voor- en nadelen en de natuurkunde erachter.
Sluit af met een duidelijke keuze.
Syllabus B2.4: voor- en nadelen noemen en een keuze beargumenteren. De kennis hoeft niet wendbaar te zijn: alleen in de context van medische beeldvorming.
Een arts zoekt tumoren die veel suiker verbruiken, verspreid door het lichaam. Welke techniek past het best?
Röntgenopname van de borstkas
Echografie van de buik
PET-scan met een suikertracer
CT-scan van het hele lichaam
Een PET-scan toont de werking van weefsel: actieve weefsels nemen veel tracer op en lichten op. Röntgen, echo en CT laten vooral de bouw zien. Verwachte fout: CT kiezen omdat een CT het hele lichaam kan scannen. Syllabus B2.4: tracer, annihilatie.
Patiënt met pacemaker: waarom CT en geen MRI?
Verwacht: MRI gebruikt een zeer sterk magnetisch veld en radiogolven, wat een risico is bij een pacemaker of metaal; een CT werkt met röntgenstraling en heeft dat probleem niet. Een goed antwoord noemt het sterke magnetische veld. Verwachte fout: stralingsbelasting als argument noemen; dat pleit juist tegen CT. Syllabus B2.4.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Echo door twee lagen
Energie bij annihilatie
MRI redeneren
Een techniek kiezen
Kies na de uitslag een vraagtype om klassikaal door te nemen.
EXAMENSTOF · B2 · MEDISCHE BEELDVORMING
Tips voor op het examen
Lees bij een echodiagram de tijden af op de tijdas en reken µs om naar s.
Bij een echo hoort het ½: de puls gaat heen en terug.
Annihilatie: elk foton 0,511 MeV, samen 1,02 MeV.
Noem bij een keuze altijd de natuurkunde: absorptie, terugkaatsing, resonantie of annihilatie.
This item has no instructions