15/10 theorie ng/bedrijvende lijdende vorm 3h

Grammaticaboekje H3
1 / 25
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Grammaticaboekje H3

Slide 1 - Slide

bedrijvende en lijdende vorm
(active en passive)

Slide 2 - Slide

BEDRIJVENDE EN LIJDENDE VORM
Bedrijvende vorm:
De hond (ow) bijt de man.(lv)

Lijdende vorm:
De man (ow) wordt gebeten door de hond. (bwb)
Er is een vorm van het werkwoord worden of zijn toegevoegd.
Het lijdend voorwerp wordt nu het onderwerp.

Slide 3 - Slide

In een naamwoordelijk gezegde...
A
doet iemand iets
B
wil iemand iets
C
is iemand iets
D
staan alleen maar werkwoorden

Slide 4 - Quiz

Wat is een naamwoordelijk gezegde?
A
Een toestand
B
Een handeling
C
Een toestand en een handeling
D
Hetzelfde als het onderwerp

Slide 5 - Quiz

Wat is het naamwoordelijk gezegde in de zin: Het openbaar vervoer is ideaal.
A
is
B
is [ideaal]
C
het openbaar vervoer
D
het openbaar vervoer is [ideaal]

Slide 6 - Quiz

Wat is het naamwoordelijk gezegde in de zin: Mijn vriend blijft altijd eerlijk.
A
mijn vriend
B
blijft
C
blijft eerlijk
D
blijft altijd eerlijk

Slide 7 - Quiz

Wat is het naamwoordelijk gezegde in de zin: Is jouw zus jouw beste vriendin?
A
is jouw beste vriendin
B
is jouw zus
C
is
D
is jouw vriendin

Slide 8 - Quiz

Wat is het naamwoordelijk gezegde?
Hij is de hele tijd op het plein aan het voetballen.
A
is
B
geen ng
C
is aan het voetballen
D
is voetballen

Slide 9 - Quiz

Wat is het naamwoordelijk gezegde?
Die actie van jou was geen succes.
A
was
B
die actie van jou
C
geen ng
D
was geen succes

Slide 10 - Quiz

nakijken en maken:
  • Grammaticaboekje H1 nakijken opdracht 9
  • maken opdracht 10

Slide 11 - Slide

Werkwoordelijk
gezegde = doen (activiteit)
Naamwoordelijk
gezegde = zijn (toestand)

Slide 12 - Slide

Ng=(hww) + kww + nd

Een naamwoordelijk gezegde bestaat uit een koppelwerkwoord (evt. een hulpwerkwoord als persoonsvorm) + een naamwoordelijk deel dat iets zegt over het onderwerp

Je kunt tussen het onderwerp en het naamwoordelijk deel een =-teken zetten

Slide 13 - Slide

Wat zijn de koppelwerkwoorden?

Koppelwerkwoorden zijn een vorm van:

zijn

worden

blijven

blijken

lijken schijnen (ZWOBBELS)


Slide 14 - Slide

voorbeeld ng

Hij is een aardige jongen. ng=is een aardige jongen

Zij blijft heel vrolijk. ng=blijft heel vrolijk

Wordt het feestje gezellig? ng=wordt gezellig


Slide 15 - Slide

0

Slide 16 - Video

soorten werkwoorden
  • zelfstandig werkwoord (zww) = belangrijkste ww in de zin. Een zin met een ww. is zww of kww.
  • hulpwerkwoord (hww)=werkwoord naast het belangrijkste ww. ,geeft bv. de tijd aan.
  • koppelwerkwoord (kww): er moet een NG in de zin staan. Wordt er iets gekoppeld aan het onderwerp?

Slide 17 - Slide

HOOFD- EN BIJZINNEN

Slide 18 - Slide

Voegwoorden
  • Hoofd- en bijzinnen worden met elkaar verbonden d.m.v. voegwoorden. Twee hoofdzinnen worden verbonden door nevenschikkende voegwoorden: en, maar, want, of
  • Een hoofd- en een bijzin wordt met elkaar verbonden door een onderschikkend voegwoord: omdat, daardoor, dat, enz. 
  • Je herkent een hoofdzin doordat onderwerp en persoonsvorm naast elkaar staan.

Slide 19 - Slide

Voorbeeld hoofd- en bijzinnen
  • Omdat ik geen lolly kreeg, voelde ik me buitengesloten. 
  • Zoek het onderwerp en de persoonsvorm en controleer of die naast elkaar staan. Zo ja, dan heb je de hoofdzin gevonden. Een zin bestaat tenminste uit een hoofdzin. 

Slide 20 - Slide

opdracht: noteer de bijzinnen
1. Ga jij mee of blijf jij hier?
2. Omdat ik geen vriendin met haar ben, ga ik niet mee.
3. Ik heb geen zin in een toets, want ik heb niet geleerd.
4. Ik weet niet of ik je dat al heb verteld.
5. Vanmorgen kon ik mijn tas niet vinden, omdat mijn zus hem had geleend.

Slide 21 - Slide

voorbeeld wg met zijn, worden,blijven

De leraar is even weggelopen. wg=is weggelopen (=activiteit)

Morgen zal de toets worden uitgedeeld. wg=worden uitgedeeld

Zij blijft thuis. wg=blijft, want het is niet iets blijven, maar ergens blijven

Slide 22 - Slide

Dus...
Controleer altijd of er iets in de zin wordt gezegd over wat het onderwerp is, wordt, blijft, lijkt, enz.
Er moet altijd een koppelwerkwoord in de zin staan. Deze heeft de plaats van het zelfstandig werkwoord. (bij een zin met 1 ww is de pv het kww, bij een zin met meerdere ww. schuift het koppelww. naar achteren)

Slide 23 - Slide

Benoem de werkwoorden. Kies uit: hww, zww of kww.
1. Op het voetpad was een kleine jongen over een tegel gevallen.
2. Aankomende vrijdag hoopt Simon vader te worden.
3. Blijf jij nu ook al zo zeuren?
4. Ik zal straks niet lang bij je kunnen zijn.
5. Na een korte nacht ben ik gebroken wakker geworden.

Slide 24 - Slide

Oefening woordsoorten: benoem de woorden
1. Vertel je mij wel de waarheid?
2. Hallo, dat heb ik zo vaak uitgelegd!
3. Lotte is boos op mij geworden.
4. Let op dat je niet in een discussie verzandt.
5. Ik ga niet naar dat feest, want ik hou niet van dansen.

Slide 25 - Slide