10.5 Druk

1 / 20
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNatuurkundeMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 4

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Welke zin is niet waar over een vaste katrol?

A

Een vaste katrol zit meestal vast aan een muur of plafond.

B

Een vaste katrol verkleint de kracht om iets op te tillen.

C

Een takel kan meerdere vaste katrollen hebben.

D


Een verhuizer gebruikt een vaste katrol om een last van 800 N omhoog te hijsen over een afstand van 6 m. Wat is het voordeel van zo'n vast katrol?

A

Dan hoeft hij maar met 400 N aan het touw te trekken.

B

Dan hoeft hij minder arbeid te verrichten

C

Het is gemakkelijker om het touw naar beneden te trekken dan de kist omhoog.

D

Hij hoeft dan maar 3m touw in te halen.

De emmer hijs je met de vaste katrol 3,0 m omhoog. Hoeveel meter touw moet je dan innemen?

A

1,5 m

B

3,0 m

C

4,5 m

D

6,0 m

Hoeveel Newton weegt een voorwerp als je, met 1 losse katrol, een kracht van 600N moet leveren?

A

400N

B

1200N

C

1800N

D

200N

Wat is de formule voor druk in woorden?

A

Druk = kracht/ oppervlakte

B

Druk = oppervlakte / kracht

C

Druk = kracht x oppervlakte

D

Druk = oppervlakte x kracht

Wat is de eenheid van kracht?

A

Newton

B

Kilogram

C

Newton per vierkante meter

D

Watt

Wat is de eenheid van druk?

A

Newton

B

Kilogram

C

Newton per vierkante meter

D

Watt

Hoe bereken je de druk

A

oppervlakte x massa

B

oppervlakte x kracht

C

massa : oppervlakte

D

kracht : oppervlakte

Bereken de druk. Een voorwerp heeft een massa van 12 kg en staat op een ondersteunend vlak van 0,6 m2

A

2 N/m2

B

20 N/m2

C

200 N/m2

D

2000 N/m2

Een vrachtwagen moet door een modderig terrein om de lading te lossen. Hoe kan de chauffeur er voor zorgen dat de banden minder diep in de modder komen te zitten?

A

De banden verbreden

B

De banden versmallen

C

Minder banden

D

kleinere banden

Waarom zak je minder in de sneeuw met ski's?

A

Je zwaartekracht wordt minder

B

Je zwaartekracht wordt meer

C

Je oppervlak met de sneeuw wordt kleiner

D

Je oppervlak met de sneeuw wordt groter

Vragen over de les?

Aan de slag!



Lees hoofdstuk 10.5 en maak opgaven: 1 t/m 12 op blz. 67 t/m 72.
Hulp: Nova boek / Docent  

20

m

00

s