Breuken vergelijken en optellen

GROEP 7 · REKENEN

Breuken vergelijken en optellen

Gelijknamig maken: als de stukken even groot zijn

½ + ⅓

= ⅚

1 / 16
next
Slide 1: Slide
New lesson editorRekenenBasisschoolGroep 7

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

GROEP 7 · REKENEN

Breuken vergelijken en optellen

Gelijknamig maken: als de stukken even groot zijn

½ + ⅓

= ⅚

De breukenstrook (repen onder elkaar met dezelfde lengte) is het krachtigste model voor deze les. Maak hem eventueel met de klas van papier. Laat kinderen zien dat je bij optellen niet de noemers optelt: ½ + ½ is niet 2/4. Duur ongeveer 45 minuten.

GROEP 7 · BREUKEN

Dit ga je leren

Ik zie dat verschillende breuken even groot kunnen zijn.

Ik vergelijk breuken met een strook.

Ik tel breuken op door ze gelijknamig te maken.

This item has no instructions

GROEP 7 · BREUKEN

Even groot, andere naam

Kijk naar de stroken. Ze zijn even lang.

½ van de bovenste is net zo veel als 2/4 van de middelste en 4/8 van de onderste.

Dus ½ = 2/4 = 4/8. Dat heten gelijkwaardige breuken.

This item has no instructions

GROEP 7 · BREUKEN

Boven en onder hetzelfde

Vermenigvuldig de teller en de noemer met hetzelfde getal. Dan blijft de breuk even groot.

⅔ = 2 × 2 / 3 × 2 = 4/6

¾ = 3 × 5 / 4 × 5 = 15/20

This item has no instructions

GROEP 7 · BREUKEN

⅓ = ...

A

2/3

B

1/6

C

2/6

D

3/6

Goed antwoord: 2/6.

GROEP 7 · BREUKEN

Welke breuk is groter: ⅗ of ½?

A

⅗

B

½

C

ze zijn even groot

Goed antwoord: ⅗. Maak ze gelijknamig: 6/10 tegen 5/10.

GROEP 7 · BREUKEN

Gelijknamig maken

Je wilt ½ + ⅓ uitrekenen. Maar de stukken zijn niet even groot.

Zoek een noemer die bij allebei past: 6.

½ = 3/6 en ⅓ = 2/6.

3/6 + 2/6 = 5/6.

De gemeenschappelijke noemer vind je door de tafels van beide noemers te vergelijken: 2, 4, 6 en 3, 6. De eerste die in allebei zit is 6.

GROEP 7 · BREUKEN

¼ + ¼ =

A

½

B

2/8

C

1/8

D

¼

Goed antwoord: ½.

GROEP 7 · BREUKEN

⅓ + ⅙ =

A

2/9

B

2/6

C

⅔

D

½

Goed antwoord: ½. ⅓ = 2/6, en 2/6 + 1/6 = 3/6 = ½. Wie 2/9 kiest, telt tellers en noemers op.

GROEP 7 · BREUKEN

¾ − ½ =

A

2/2

B

¼

C

½

D

1

Goed antwoord: ¼.

GROEP 7 · BREUKEN

Mila eet ⅜ van een taart. Haar broer eet ¼ van de taart. Welk deel hebben ze samen gegeten?

Goed antwoord: 5/8. ¼ = 2/8, en 3/8 + 2/8 = 5/8.

Sleep elke breuk naar de breuk die even groot is.

GROEP 7 · BREUKEN

½

⅓

¾

4/8

2/6

6/8

5/10

3/9

9/12

This item has no instructions

1

9/10

2

⅓

3

½

4

⅕

5

⅔

6

1/10

GROEP 7 · BREUKEN

Zet de breuken op volgorde, van klein naar groot.

Goede volgorde: 1/10, ⅕, ⅓, ½, ⅔, 9/10.

GROEP 7 · BREUKEN

Hoeveel is 1 − ⅖?

Goed antwoord: 3/5 of ⅗.

1

Gelijknamig maken

2

Vergelijken

3

Optellen en aftrekken

4

Niks meer!

GROEP 7 · BREUKEN

Wat vind jij het lastigst aan breuken?

This item has no instructions

GROEP 7 · BREUKEN

Goed gedaan!

Verschillende breuken kunnen even groot zijn: ½ = 2/4 = 4/8.

Optellen of aftrekken? Maak ze eerst gelijknamig.

Tel daarna alleen de tellers op. De noemer blijft hetzelfde.

This item has no instructions