week 44 les 1 - los verbos

Buenos días
¿Qué vamos a hacer?
  • practicar con los verbos
Lunes,  26 de octubre
1 / 15
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 15 slides, with interactive quiz, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Buenos días
¿Qué vamos a hacer?
  • practicar con los verbos
Lunes,  26 de octubre

Slide 1 - Slide

¿Qué tal las vacaciones?

Slide 2 - Slide

ser (zijn), tener (hebben), llamarse (heten)
  • Wat zijn werkwoorden?
  • Waarvoor heb je ze nodig?
  • Wat moet je doen met een werkwoord in een zin?
Leerdoel: werkwoorden
LA: pág. 23
REGELMATIG
ONREGELMATIG

Slide 3 - Slide

Persoonlijke voornaamwoorden
Ken je ze nog?

Slide 4 - Slide

Sleep de Spaanse vertaling naar het bijpassende Nederlandse persoonlijke vnw.
ik
jij
hij
zij
u
wij
jullie
zij (mv)
u (mv)
tú
vosotros
él
ustedes
yo
ellos
nosotros
ella
usted

Slide 5 - Drag question

yo
tú
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes
ik
jij
hij, zij, u
wij
jullie
zij, u
De persoonlijke voornaamwoorden
ZORG ERVOOR DAT JE DE PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN IN HET SPAANS KENT!!!!!
Leerdoel: persoonlijke voornaamwoorden
Librito p. 32

Slide 6 - Slide

Soms staat het persoonlijk vnw. er niet
zoals je gewend bent maar staat er... 
Leerdoel: persoonlijke voornaamwoorden
Een naam = él, ella
Een naam + yo = nosotros
Een naam + tú = vosotros
Een naam + een naam = ellos
Librito p. 32

Slide 7 - Slide

Werkwoord vervoegen

Slide 8 - Slide

llamarse (heten)
yo
tú
él, ella, ud.
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, uds.
llamarse 
me llamo
te llamas
se llama
nos llamamos
os llamáis
se llaman
Leerdoel: werkwoorden
LA: pág. 23
heten
ik heet
jij heet
hij/zij/u heet
wij heten
jullie heten
zij heten/u heet

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Video

ser (zijn)
yo
tú
él, ella, ud.
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, uds.
ser
soy
eres
es
somos
sois
son
Leerdoel: werkwoorden
LA: pág. 23
zijn
ik ben
jij bent
hij/zij is/u bent
wij zijn
jullie zijn
zij zijn/u bent

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Video

tener (hebben)
yo
tú
él, ella, ud.
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, uds.
tener
tengo
tienes
tiene
tenemos
tenéis
tienen
Leerdoel: werkwoorden
LA: pág. 23
hebben
ik heb
jij hebt
hij/zij hebt/ u heeft
wij hebben
jullie hebben
zij hebben/u heeft

Slide 13 - Slide

llamarse/ser/tener
Vamos a practicar
  • Ej. 4
  • LE: pág. 14 ej. 1.24, 1.25, 1.28
LA: pág.23
Leerdoel: werkwoorden

Slide 14 - Slide

Deberes (huiswerk)
Huiswerk voor woensdag 28 oktober
  • Leren ser/tener/llamarse
  • Maken LE: ej. 1.22, 1.23, 1.27


Woensdag 4 november: SO

Slide 15 - Slide