Oefentoets H1 korte versie

Is de prijs van een stof een stofeigenschap?

A
Ja
B
Nee
1 / 42
next
Slide 1: Quiz
ScheikundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Is de prijs van een stof een stofeigenschap?

A
Ja
B
Nee

Slide 1 - Quiz

Is de temperatuur van een stof een stofeigenschap?


A
Ja
B
Nee

Slide 2 - Quiz

Is de massa van een stof een stofeigenschap?



A
Ja
B
Nee

Slide 3 - Quiz

Is de dichtheid van een stof een stofeigenschap?



A
Ja
B
Nee

Slide 4 - Quiz

Sleep de faseovergang naar het juiste nummer in de afbeelding
verdampen
stollen
rijpen
condenseren
vervluchtigen/sublimeren
smelten

Slide 5 - Drag question

Wat is het reactieproduct in dit reactieschema?
A
Ijzer en water
B
Ijzer, water en zuurstof
C
Roest
D
Ijzer, water, zuurstof en roest

Slide 6 - Quiz

In dit reactieschema is koperchloride...
A
de beginstof.
B
het reactieproduct.

Slide 7 - Quiz

Hans beschrijft een stukje van een onbekende stof. In welke zin staat een stofeigenschap?
A
Het stukje is grijs
B
Het stukje is opgebouwd uit korrels
C
Het stukje weegt 6,3 g
D
Het stukje kostte 5 euro

Slide 8 - Quiz

Hoe noteer je waterdamp?
A
water (g)
B
water (l)
C
water (s)
D
water (aq)

Slide 9 - Quiz

In de winter verandert water in ijs. Als het een paar dagen hard vriest, kun je al op het ijs gaan staan zonder er door te zakken.
Hoe noem je deze faseverandering?
A
condenseren
B
rijpen
C
smelten
D
stollen

Slide 10 - Quiz

Als een kaars brandt, dan smelt het kaarsvet.
Welke faseverandering treedt dan op?
A
vast --> vloeibaar
B
vast --> gas
C
vloeibaar --> vast
D
gas --> vast

Slide 11 - Quiz

Een geurblokje in het toilet is een vaste stof. Het blokje verandert langzaam in een gas dat je kunt ruiken, waardoor je de nare geurtjes niet meer opmerkt.
Hoe noem je deze faseverandering?
A
smelten
B
verdampen
C
sublimeren
D
rijpen

Slide 12 - Quiz

Je ziet een aantal stoffen.
Welke van de volgende stoffen zijn zuivere stoffen?
A
kraanwater
B
soda
C
koffie
D
zout

Slide 13 - Quiz

Peter voert een proef uit waarbij hij een zuivere vaste stof verwarmt in een reageerbuis. Tijdens de proef houdt hij het temperatuurverloop bij. Kies de juiste antwoorden.
Gedurende de faseverandering (1). het temperatuurgebied waarbij de faseverandering plaatsvindt, noem je het (2)
A
(1) = veranderde de temperatuur. (2) = smelttraject
B
(1) = bleef de temperatuur gelijk. (2) = smelttraject
C
(1) = veranderde de temperatuur. (2) = smeltpunt
D
(1) = bleef de temperatuur gelijk. (2) = smeltpunt

Slide 14 - Quiz

Tijdens het afkoelen van een vloeibaar mengsel vindt er een faseverandering plaats.
Welke faseverandering vindt er plaats en hoe heet het temperatuurgebied?
A
vloeibaar naar gas, kooktraject
B
gas naar vloeibaar, smelttraject
C
vast naar vloeibaar, kooktraject
D
vloeibaar naar vast, stoltraject

Slide 15 - Quiz

Carl voert een proef uit waarbij hij een vloeibaar mengsel laat afkoelen in een reageerbuis. Tijdens de proef houdt hij het temperatuurverloop bij.

Gedurende de faseverandering
............ 
Het temperatuurgebied waarbij de faseverandering plaatsvindt, noem je het .............

daalde de temperatuur
stoltraject
stolpunt
bleef de temperatuur gelijk

Slide 16 - Drag question

Zuivere stof
smelttraject
Stolpunt
Mengsel

Slide 17 - Drag question

Wat is een emulsie?
A
2 vaste stoffen die niet mengen
B
2 vloeistoffen die niet mengen
C
een vaste stof in een vloeistof die niet mengen
D
2 vloeistoffen die wel mengen

Slide 18 - Quiz

Een suspensie is een bepaald soort mengsel. Een suspensie is ...
A
Helder en altijd gekleurd
B
Helder en soms gekleurd
C
Troebel en altijd gekleurd
D
Troebel en soms gekleurd

Slide 19 - Quiz

Welke van onderstaande mengsels is een emulsie
A
Zeewater (water met zout)
B
Dagcreme (water met olie)
C
jus d'orange (water met vruchtenconcentraat)
D
Koffie (water met koffiesmaak)

Slide 20 - Quiz

Mengsel
Zuivere stof

Slide 21 - Drag question

Een mengsel van een vloeitstof en een vaste stof
Een mengsel van twee vloeistoffen die goed met elkaar mengen
Een mengsel van twee vloeistoffen die niet goed met elkaar mengen
Oplossing 
Emulsie
Suspensie

Slide 22 - Drag question

dit mengsel is:
het is dus een:
dit mengsel is:
het is dus een:
helder
troebel
oplossing
suspensie

Slide 23 - Drag question

Wat zijn de stofeigenschappen van koffie?
A
Temperatuur en smaak
B
Smaak en kleur
C
Kleur en temperatuur
D
Kleur en prijs per kilo

Slide 24 - Quiz

De moleculen bewegen heen en weer op één plek. Er is veel aantrekkingskracht. Welke fase is dit?
A
Oplossing
B
Vast
C
Vloeibaar
D
Gas

Slide 25 - Quiz

In de gasfase is de aantrekkingskracht tussen moleculen het kleinst.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 26 - Quiz

Chemische reactie?
A
Ja
B
Nee

Slide 27 - Quiz

Wat is GEEN chemische reactie?
A
Verbranden van papier
B
Glas maken uit zand en soda
C
Het roesten van je fiets
D
Koffiebonen malen

Slide 28 - Quiz

is dit een chemische
reactie?
A
ja
B
nee

Slide 29 - Quiz

Wat is een emulgator?
A
Een mengsel van water en olie.
B
Een krokodil die zijn prooi verscheurt met zijn tanden.
C
Een stof die helpt bij het mengen van stoffen die normaal niet mengen.
D
Een stof die ervoor zorgt dat stoffen niet meer mengen met elkaar.

Slide 30 - Quiz

Zeep is een emulgator.
A
waar
B
niet waar

Slide 31 - Quiz

Een suspensie is een ............ mengsel van een fijn verdeelde ............ , die zweeft in een ............ .
helder
troebel
vaste stof
vloeistof
vloeistof
gas

Slide 32 - Drag question

Een emulsie heeft de neiging om spontaan te ontmengen. Door dit ontmengen ontstaan twee lagen, waarin de vloeistof met de kleinste dichtheid drijft op de andere vloeistof.
Het ontmengen van een emulsie kan worden verhinderd door toevoeging van:
A
een oplosmiddel
B
alcohol
C
een fijn verdeelde vaste stof
D
een emulgator

Slide 33 - Quiz

Vet kun je oplossen in ............ 

Nagellakremover bevat voornamelijk ............ 

Spiritus bestaat voornamelijk uit ............ 

Het meest gebruikte oplosmiddel is ............
wasbenzine
water
alcohol
aceton

Slide 34 - Drag question

De onzichtbare gassen koolstofdioxide en waterdamp ontstaan bij de verbranding van stookolie.
Welk van de volgende reactieschema's is goed?
A
koolstofdioxide (g) + water (g) --> stookolie (l)
B
Stookolie (l) + zuurstof (g) --> koolstofdioxide (g) + water (g)
C
Koolstofdiode (g) + water (l) --> stookolie (l) + zuurstof (g)
D
stookolie (l) --> koolstofdioxide (g) + water (l)

Slide 35 - Quiz

Mitchell voert een proef uit waarbij door een verbranding vast koolstof en waterdamp ontstaan.
Als brandstof heeft Mitchell gebruikgemaakt van het gas methaan. Welk reactieschema is juist?
A
koolstof (s) + water (g) --> methaan (g)
B
koolstof (s) + water (g) --> methaan (g) + zuurstof (g)
C
methaan (g) --> koolstof (s) + water (l)
D
methaan (g) + zuurstof (g) --> koolstof (s) + water (g)

Slide 36 - Quiz

Bij het maken van bier vindt er een chemische reactie plaats. Bij deze reactie ontstaan koolstofdioxide en alcohol uit de vergisting van glucose.

Welk reactieschema is juist?
A
bier + koolstofdioxide + alcohol --> glucose
B
alcohol + koolstofdioxde --> glucose
C
glucose --> alcohol + koolstofdioxide
D
bier + glucose --> koolstofdioxide + alcohol

Slide 37 - Quiz

Welke faseovergang vind hier plaats?
A
Stollen
B
Koken (verdampen)
C
Smelten
D
Condenseren

Slide 38 - Quiz

Is deze diagram van een zuivere stof of mengsel
A
Dit is een stoltraject en dus van een zuivere stof
B
Dit is een stolpunt en dus van een zuivere stof
C
Dit is een stolpunt en dus van een mengsel
D
Dit is een stoltraject en dus van een mengsel

Slide 39 - Quiz

Is deze diagram van een zuivere stof of mengsel
A
Dit is een smelttraject en dus van een zuivere stof
B
Dit is een smeltpunt en dus van een zuivere stof
C
Dit is een smeltpunt en dus van een mengsel
D
Dit is een smelttraject en dus van een mengsel

Slide 40 - Quiz

Wat stelt het diagram hiernaast voor?
A
Vaste stof, zuivere stof, dat gaat smelten
B
Vaste stof, mengsel, dat gaat smelten
C
Vloeistof, zuivere stof, dat gaat stollen
D
Vloeistof, mengsel, dat gaat stollen

Slide 41 - Quiz

Wat stelt het diagram hiernaast voor?
A
Vaste stof, zuivere stof, dat gaat smelten
B
Vaste stof, mengsel, dat gaat smelten
C
Vloeistof, zuivere stof, dat gaat stollen
D
Vloeistof, mengsel, dat gaat stollen

Slide 42 - Quiz