Rekenen met de mol (Scheikunde vwo), les 3: Terugblik quiz

Hoogoven in het Landschaftspark Duisburg-Nord, 2016 (foto: Dietmar Rabich, CC BY-SA 4.0)

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · DE MOL

Quiz

Terugblik: Rekenen met de mol

1 / 14
next
Slide 1: Slide
New lesson editorScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Terugblik met elf vragen over molair volume, volumeverhouding, ondermaat, rendement en mengsels, met een invulzin, een volgorde en twee open vragen.

Items in this lesson

Hoogoven in het Landschaftspark Duisburg-Nord, 2016 (foto: Dietmar Rabich, CC BY-SA 4.0)

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · DE MOL

Quiz

Terugblik: Rekenen met de mol

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Dietmar Rabich / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Welke eenheid hoort bij het molair volume Vm?

A

g mol⁻¹

B

mol L⁻¹

C

L mol⁻¹

D

L g⁻¹

Vm = V / n heeft de eenheid L mol⁻¹ (of m³ mol⁻¹). g mol⁻¹ is de molaire massa en mol L⁻¹ een concentratie. Verwachte fout: Vm met de molaire massa verwisselen. Syllabus R&A1.2.

Vul in

Bij gelijke temperatuur en druk is de volumeverhouding van gassen in een reactie gelijk aan de molverhouding van de stoffen.

temperatuur
druk
molverhouding
massaverhouding
dichtheid

Syllabus R&A1.1: volumeverhouding van gassen. Verwachte fout: massaverhouding kiezen.

5,00 L He, Vm = 24,5 L mol⁻¹: massa in g?

n = 5,00 / 24,5 = 0,2041 mol; M(He) = 4,003 g mol⁻¹ (Binas); m = 0,2041 × 4,003 = 0,8169 g, dus 0,817 g. Verwachte fouten: 5,00 × 4,003 (20,0 g, delen door Vm vergeten) of M van He als 8,006 gebruiken (He is een enkelvoudig atoom, geen molecuul He₂). Syllabus R&A1.2.

Zet de stappen op volgorde, van eerst naar laatst

1

Bereken n(A) uit m(A) en M(A)

2

Stel de kloppende reactievergelijking op

3

Bereken V uit n en Vm

4

Bereken n(gas) met de molverhouding

Route massa naar gasvolume uit les 1. Verwachte fout: V berekenen voordat de molverhouding is toegepast. Syllabus R&A1.1 en R&A1.2.

2 H₂S + 3 O₂ → 2 SO₂ + 2 H₂O(g): 4,0 L H₂S en 6,0 L O₂. Gasvolume erna?

A

8,0 L

B

10 L

C

4,0 L

D

4,8 L

Gelijke T en p, dus rekenen in L. 4,0 L H₂S en 6,0 L O₂ staan precies in de verhouding 2 : 3, dus alles reageert. Er ontstaat 4,0 L SO₂ en 4,0 L H₂O(g): samen 8,0 L (voor de reactie 10 L; 5 volumes gas worden 4). 10 L komt van denken dat het gasvolume gelijk blijft, 4,0 L van H₂O(g) vergeten en 4,8 L van 6,0 × 4 / 5 (de verhouding op alleen O₂ toegepast). Reactie klopt: S 2 = 2, H 4 = 4, O 6 = 4 + 2. Syllabus R&A1.1.

2 CO + O₂ → 2 CO₂ met 10 L CO en 4 L O₂ (gelijke T en p). Wat geldt?

A

10 L CO₂, 0 L over

B

4 L CO₂, 6 L CO over

C

8 L CO₂, 1 L O₂ over

D

8 L CO₂, 2 L CO over

Voor 4 L O₂ is 8 L CO nodig; er is 10 L CO, dus O₂ is in ondermaat. CO₂ = 2 × 4 = 8 L en CO over = 10 − 8 = 2 L. 10 L CO₂ rekent vanaf CO (overmaat), 4 L CO₂ neemt de verhouding 1 : 1 vanaf O₂ en de laatste optie laat O₂ overblijven terwijl die op is. Syllabus R&A1.1.

Het rendement is 0,72 en de theoretische opbrengst is 50,0 g. Wat is de werkelijke opbrengst?

A

69 g

B

36 g

C

14 g

D

50 g

Werkelijk = rendement × theoretisch = 0,72 × 50,0 = 36 g (2 significante cijfers). 69 g komt van delen (50,0 / 0,72), 14 g van 0,28 × 50,0 (het verlies) en 50 g van het rendement negeren. Syllabus R&A1.1.

Waarom daalt bij N₂ + 3 H₂ → 2 NH₃ het gasvolume (T en p gelijk)?

A

4 mol gas wordt 2 mol gas

B

Een deel van de massa verdwijnt

C

NH₃-moleculen zijn kleiner dan H₂

D

Het molair volume van NH₃ is lager

Bij gelijke T en p is het volume evenredig met het aantal mol gas, en dat daalt van 4 naar 2. De massa blijft behouden en Vm is voor alle gassen gelijk. Verwachte fout: de grootte van de moleculen als oorzaak noemen. Syllabus R&A1.1 en R&A1.2.

Hoe bereken je n(gas) uit het volume V en het molair volume Vm?

A

n = V × Vm

B

n = Vm / V

C

n = V / Vm

D

n = m / Vm

Vm = V / n, dus n = V / Vm. Controle met de eenheden: L / (L mol⁻¹) geeft mol. Verwachte fout: de formule verkeerd omschrijven. Syllabus R&A1.2.

0,500 g H₂, Vm = 22,4 L mol⁻¹: volume in L?

M(H₂) = 2 × 1,008 = 2,016 g mol⁻¹; n = 0,500 / 2,016 = 0,2480 mol; V = 0,2480 × 22,4 = 5,556 L, dus 5,56 L (3 significante cijfers). Verwachte fouten: M(H) = 1,008 gebruiken (11,1 L) of 0,500 × 22,4 (11,2 L). Syllabus R&A1.2.

Zn + 2 HCl → ZnCl₂ + H₂ en 2 Al + 6 HCl → 2 AlCl₃ + 3 H₂. Mengsel x mol Zn, y mol Al: n(H₂)?

A

x + y

B

x + 1,5 y

C

x + 3 y

D

2x + 3 y

Zn geeft 1 H₂ per Zn (x), Al geeft 3 / 2 = 1,5 H₂ per Al (1,5 y), dus n(H₂) = x + 1,5 y. x + y vergeet de verhouding bij Al, x + 3 y gebruikt de coëfficiënt 3 zonder delen door 2 en 2x + 3 y neemt de coëfficiënten van HCl en H₂ door elkaar. Syllabus R&A1.1.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · DE MOL

Goed gedaan!

Je kunt nu met de mol rekenen bij gassen, mengsels en meerdere stappen: molair volume, volumeverhouding, ondermaat, overmaat en rendement. Zoek de vragen die je fout had op in les 1.

This item has no instructions