Titratie: een buret boven een erlenmeyer (foto: Willwood, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · CONCENTRATIE
Quiz
Terugblik: Rekenen met concentraties
Titratie: een buret boven een erlenmeyer (foto: Willwood, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · CONCENTRATIE
Quiz
Terugblik: Rekenen met concentraties
Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Willwood / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Welke waarde is gelijk aan 1,00 mol L⁻¹?
1,00·10³ mol m⁻³
1,00·10⁻³ mol m⁻³
1,00 mol m⁻³
1,00·10⁶ mol m⁻³
1 L = 10⁻³ m³, dus per m³ zit 10³ keer zoveel: 1,00 mol L⁻¹ = 1,00·10³ mol m⁻³. Verwachte fouten: de omrekening omdraaien (10⁻³), de factor vergeten (1,00) en 1 m³ = 10⁶ mL verwarren met 10⁶ L (10⁶). Syllabus R&A1.2.
Vul in
De dichtheid is ρ = m / V; een oplossing van 1,00 g mL⁻¹ heeft ρ = 1,00·10³ g L⁻¹.
ρ = m / V; 1,00 g mL⁻¹ × 10³ mL L⁻¹ = 1,00·10³ g L⁻¹. Verwachte fout: M of n gebruiken, of de factor 10³ naar beneden omrekenen. Syllabus R&A1.2.
Kolf van 100,0 mL vol vloeistof: 187,3 g; leeg: 95,1 g. Wat is ρ?
1,87 g mL⁻¹
1,08 g mL⁻¹
0,922 g mL⁻¹
0,951 g mL⁻¹
m(vloeistof) = 187,3 − 95,1 = 92,2 g; ρ = 92,2 / 100,0 = 0,922 g mL⁻¹ (drie significante cijfers). Verwachte fouten: de kolf niet aftrekken (1,87), de breuk omdraaien (100,0 / 92,2 = 1,08) en alleen de massa van de lege kolf nemen (0,951). Syllabus R&A1.2.
Een gehalte van 0,0050 massa% is hoeveel ppm?
5,0·10⁻² ppm
5,0·10¹ ppm
5,0·10³ ppm
5,0·10⁻⁴ ppm
0,0050% = 0,0050 / 100 = 5,0·10⁻⁵; × 10⁶ = 5,0·10¹ ppm. Of: 1% = 10⁴ ppm, dus 0,0050 × 10⁴ = 50. Verwachte fouten: de deling door 100 vergeten (5,0·10³) en de omrekening omdraaien (5,0·10⁻²). Syllabus R&A1.3.
In 50 m³ water (ρ = 1,0 kg L⁻¹) zit 2,0 ppm van een stof. Hoeveel g?
1,0·10⁵ g
1,0·10⁻¹ g
1,0·10¹ g
1,0·10² g
50 m³ = 5,0·10⁴ L = 5,0·10⁴ kg water; 2,0 ppm = 2,0 mg per kg: 2,0 × 5,0·10⁴ = 1,0·10⁵ mg = 1,0·10² g (twee significante cijfers). Verwachte fouten: mg niet omrekenen naar g (1,0·10⁵ g), m³ niet omrekenen naar L (1,0·10⁻¹ g) en 50 m³ als 5,0·10³ L nemen (1,0·10¹ g). Syllabus R&A1.3.
Vul in
Een gehalte van 0,27 mg per kg is 0,27 ppm en dus 2,7·10² ppb.
1 mg per kg is 10⁻⁶, dus 0,27 ppm; 1 ppm = 10³ ppb, dus 0,27 × 10³ = 2,7·10² ppb. Verwachte fout: ppm en ppb door elkaar. Syllabus R&A1.3.
Zet de terugtitratie op volgorde
Eerst de rest HCl uit de titratie met NaOH (HCl + NaOH, 1 : 1), dan het verschil met de toegevoegde HCl (het deel dat met het monster reageerde) en tot slot met CaCO₃ + 2 HCl → CaCl₂ + H₂O + CO₂ de hoeveelheid CaCO₃. Verwachte fout: de molverhouding toepassen op de toegevoegde HCl in plaats van op het verbruikte deel. Syllabus R&A2.1 met R&A1.1.
Je titreert 25,00 mL uit 250,0 mL en vergeet die factor. Je massa% is dan
10 keer te groot
precies goed
100 keer te klein
10 keer te klein
In 25,00 mL zit een tiende van het monster. Reken je de gevonden n niet met factor 250,0 / 25,00 = 10 terug naar het hele monster, dan is de massa en dus het massa% 10 keer te klein. Verwachte fouten: de richting omdraaien of de factor kwadrateren. Syllabus R&A2.1 en R&A1.2.
1,000 g soda tot 250,0 mL; 25,00 mL vraagt 18,60 mL 0,1000 M HCl. Massa% Na₂CO₃?
49,28 massa%
98,57 massa%
9,857 massa%
197,1 massa%
Na₂CO₃ + 2 HCl → 2 NaCl + H₂O + CO₂. n(HCl) = 0,1000 × 18,60·10⁻³ = 1,860·10⁻³ mol; n(Na₂CO₃) = 9,300·10⁻⁴ mol in 25,00 mL; × 10 = 9,300·10⁻³ mol in 250,0 mL; m = 9,300·10⁻³ × 105,99 = 0,9857 g; 98,57 massa% (vier significante cijfers). Verwachte fouten: de molverhouding vergeten (197,1), de verdunning vergeten (9,857) en tweemaal delen door 2 (49,28). Syllabus R&A2.1 en R&A1.1.
n = c × V met c = 0,100 mol L⁻¹ en V = 25,0 mL. Wat is n?
2,50·10⁻⁴ mol
2,50 mol
2,50·10⁻³ mol
2,50·10⁻² mol
V = 25,0·10⁻³ L; n = 0,100 × 25,0·10⁻³ = 2,50·10⁻³ mol. Beide gegevens hebben drie significante cijfers, dus drie in de uitkomst. Verwachte fouten: een macht van tien te ver (2,50·10⁻⁴), mL niet omrekenen (2,50) en een macht van tien te weinig (2,50·10⁻²). Syllabus R&A1.2.
2,67 g AlCl₃ (133,33 g mol⁻¹) in 0,500 L: [Cl⁻]?
AlCl₃(s) → Al³⁺(aq) + 3 Cl⁻(aq). n(AlCl₃) = 2,67 / 133,33 = 2,00·10⁻² mol; n(Cl⁻) = 3 × 2,00·10⁻² = 6,01·10⁻² mol (met onafgeronde n); [Cl⁻] = 6,01·10⁻² / 0,500 = 0,120 mol L⁻¹ (drie significante cijfers). Verwachte fouten: de index 3 vergeten (0,0400) of delen door 500 in plaats van 0,500 L. Syllabus R&A1.2.
Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?
Heel zeker
Redelijk zeker
Niet zo zeker
Helemaal niet zeker
Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · CONCENTRATIE
Goed gedaan!
Je rekent nu met concentraties, gehaltes, verdunningen en titraties in meerdere stappen. Succes met het examen!
This item has no instructions