Hoe was jullie weekend?
Hoe was jullie weekend?
Gebruik de woorden uit de woordwolk om de koppeling te maken naar bijvoeglijke naamwoorden, zoals groot, rood, vies, oud, gek en mooi.
Bijvoegelijke Naamwoorden
1.9 De grote kast - de kleine spiegel
This item has no instructions
Wat gaan we doen?
Bijvoeglijke naamwoorden
Lesdoel:
Je kunt de bijvoeglijke naamwoorden op de juiste manier schrijven.
This item has no instructions
Wat is een bijvoeglijk naamwoord?
De houten kast is niet duur. De kast is groot.
Johan verkoopt een kleine spiegel. De spiegel is rond.
This item has no instructions
De houten kast is niet duur. De kast is groot.
Johan verkoopt een kleine spiegel. De spiegel is rond.
Met bijvoeglijke naamwoorden kun je informatie over een mens, dier of ding geven.
Houd het eenvoudig op A2-niveau: benadruk dat het woord meer informatie geeft. Vermijd te veel grammaticale termen naast de kernterm.
Plaats in de zin
Aan het eind van de zin:
Voor een mens, dier of ding:
meestal + e
de grote stoel
de rode lamp
de vierkante tafel
kortste vorm
De stoel is groot.
De lamp is rood.
De tafel is vierkant.
Dit is de kernregel van de les. Gebruik steeds dezelfde voorbeelden links en rechts, zodat leerlingen het verschil tussen groot en grote, rood en rode goed zien.
Uitzondering 1
Woorden met één klinker met daarna één medeklinker aan het eind:
De stoel is wit - de witte stoel
Het kleed is dik - het dikke kleed
Je verdubbelt de medeklinker.
Leg uit dat de klank kort moet blijven. Gebruik alleen herkenbare voorbeelden en schrijf ze groot op het bord.
Uitzondering 2
Woorden met twee dezelfde klinkers en één medeklinker aan het eind:
De kast is groot - de grote kast
De tafel is laag - de lage tafel
Je haalt een klinker weg.
Leg uit dat de klank kort moet blijven. Gebruik alleen herkenbare voorbeelden en schrijf ze groot op het bord.
Uitzondering 3
Woorden met twee klinkers of een ij, met daarna een s of een f:
Het kind is lief - het lieve kind
Het kleed is grijs - het grijze kleed
De tafel is vies. - de vieze tafel
De s wordt een z.
De f wordt een v.
Leg uit dat de klank kort moet blijven. Gebruik alleen herkenbare voorbeelden en schrijf ze groot op het bord.
Woorden voor materialen
Sommige woorden zeggen van welk materiaal iets is. Je schrijft dan en.
een houten tafel
een gouden ring
een wollen trui
Gebruik het woord materiaal expliciet. Dit is de uitzondering uit de lesinput: niet gewoon -e, maar vaak -en.
Samenvatting
Zoek het bijvoeglijk naamwoord.
Staat het aan het eind van de zin? > korte vorm
Staat het voor een mens, dier of ding? > +e of een uitzondering
Is het een materiaal? > +en.
Dit is een samenvattende strategie voor de begeleide inoefening uit het boek. Laat leerlingen deze stappen gebruiken tijdens het werken.
Huiswerk voor dinsdag
Maak opdracht 65, 66, 67, 69 en 70 (blz. 27 t/m 29).
Opdracht 70 maak je op een werkblad. Dit lever je in.
Deze slide bereidt voor op de extra opdracht met een meubelkaart en een advertentie. Houd de focus op bruikbare woordgroepen.
Wat zegt een bijvoeglijk naamwoord?
iets extra's
een plaats
een tijd
een naam
Sluit aan op slides 2-6: het bijvoeglijk naamwoord geeft extra informatie over een mens, dier of ding.
Maak een zin met twee bijvoeglijke naamwoorden bij de foto.
This item has no instructions
Woordenlijst
bijvoeglijk naamwoord - woord dat iets extra's zegt over een mens, dier of ding
klinker - a, e, i, o, u, ij
medeklinker - alle andere letters uit het alfabet
materiaal - stof waarvan iets gemaakt is
This item has no instructions