Structurele groei (Economie vwo), les 3: Terugblik quiz

WELVAART EN GROEI · GROEI

Quiz

Terugblik: Structurele groei

1 / 14
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Terugblik quiz met tien vragen over de productiefunctie, meeropbrengsten, schaalopbrengsten, A, instituties en groeibevorderend beleid. Individueel te maken; bespreek de antwoorden na een paar vragen.

Items in this lesson

WELVAART EN GROEI · GROEI

Quiz

Terugblik: Structurele groei

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: A ansems / Wikimedia Commons, publiek domein

De regering verbetert de kinderopvang, zodat meer ouders kunnen werken. Wat verhoogt dit?

A

K, het kapitaal

B

A, de totale factorproductiviteit

C

L, de arbeid

D

f, de vorm van de productiefunctie

Meer mensen aan het werk is meer arbeid (L). Verwachte fout: A kiezen omdat het om beleid gaat.

Vul in: twee begrippen

Bij afnemende meeropbrengsten levert extra K steeds minder extra Y op; bij constante schaalopbrengsten verdubbelt Y als K en L verdubbelen.

afnemende meeropbrengsten
constante schaalopbrengsten
groeibevorderend beleid
instituties

Eén factor groter geeft afnemende meeropbrengsten; K en L samen groter in gelijke mate geeft constante schaalopbrengsten.

Een land vergroot K en L allebei met 10% (A gelijk). Wat verwacht je van Y?

A

Y stijgt met minder dan 10%

B

Y stijgt met meer dan 10%

C

Y stijgt met 10%

D

Y stijgt met 20%

Constante schaalopbrengsten: evenredige toename van K en L geeft een evenredige toename van Y. Verwachte fout: 20% (de som van K en L).

Welk voorbeeld hoort bij instituties?

A

Een rechtsstaat die contracten afdwingt

B

Een nieuwe snelweg tussen twee steden

C

Een machine die automatisch werkt

D

Een cursus voor werklozen

Instituties zijn spelregels zoals de rechtsstaat. Verwachte fout: de snelweg kiezen, dat is infrastructuur.

K en L gelijk, A daalt. Wat doet Y?

Y daalt: de productiefunctie verschuift omlaag. Verwachte fout: zeggen dat Y gelijk blijft omdat K en L gelijk blijven.

Land P en Q hebben evenveel K en L. Bij K = 36 is Y 72 in P en 48 in Q. Wat verklaart dit het best?

A

Q heeft meer kapitaal dan P

B

P heeft afnemende meeropbrengsten en Q niet

C

Q heeft constante schaalopbrengsten en P niet

D

P heeft een hogere totale factorproductiviteit

Bij gelijke K en L verklaart alleen A het verschil. Verwachte fout: afnemende meeropbrengsten gelden in beide landen.

Een autobedrijf bedenkt een manier om auto's goedkoper te bouwen. Welk soort innovatie?

A

Productinnovatie

B

Procesinnovatie

C

Learning by doing

D

Groeibevorderend beleid

Een nieuwe productiemethode is procesinnovatie. Verwachte fout: productinnovatie, dat is een nieuw of beter product.

Een eiland ligt aan zee, midden in drukke handelsroutes. Welke factor van A is dit?

A

Gunstige geografische ligging

B

Eigendomsrechten

C

Learning by doing

D

Procesinnovatie

Ligging is een omstandigheid die A verhoogt. Verwachte fout: instituties, maar het gaat niet om regels.

Waarom is meer K alleen niet genoeg voor groei op de lange termijn?

A

Meer K verlaagt de arbeid L

B

Meer K verlaagt de totale factorproductiviteit

C

Extra K levert steeds minder extra Y op

D

Y daalt bij elke extra eenheid K

Afnemende meeropbrengsten: Y blijft stijgen, maar minder per eenheid. Een hogere A verschuift de lijn. Verwachte fout: denken dat Y daalt.

Door een ramp daalt K, terwijl L en A gelijk blijven. Wat gebeurt er met de potentiële productie?

A

Die blijft gelijk, want A is gelijk

B

Die daalt: een beweging langs de lijn naar links

C

Die stijgt door afnemende meeropbrengsten

D

De lijn verschuift omhoog

Minder K betekent minder Y bij gelijke L en A. Verwachte fout: denken dat een verschuiving nodig is; die komt alleen door een andere A.

Wat bepaalt op lange termijn vooral de economische groei?

A

De groei van de consumptieve bestedingen

B

De hoogte van de rente

C

De omvang van het begrotingstekort

D

De groei van de productiefactoren en de technologie

Op lange termijn bepaalt het aanbod de groei. Verwachte fout: de vraagzijde kiezen.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

WELVAART EN GROEI · GROEI

Goed gedaan!

Je kunt nu uitleggen hoe kapitaal, arbeid en de totale factorproductiviteit samen de potentiële productie bepalen, en waarom instituties ertoe doen.

This item has no instructions