WELVAART EN GROEI · GROEI
Structurele groei
Examenstof economie vwo
WELVAART EN GROEI · GROEI
Structurele groei
Examenstof economie vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: H2 (2.1 t/m 2.4). Image credit: A ansems / Wikimedia Commons, publiek domein
WELVAART EN GROEI · GROEI
Wat ga je kunnen?
Ik kan met de productiefunctie en afnemende meeropbrengsten uitleggen hoe K, L en A de potentiële productie bepalen en welke factoren A verhogen.
This item has no instructions
Waarom kan een land op den duur meer produceren? Noem zoveel mogelijk oorzaken.
Verwacht: meer machines, meer mensen aan het werk, betere technologie, beter onderwijs, betere regels. Groepeer ze straks in kapitaal (K), arbeid (L) en A: zo loop je door de les.
WELVAART EN GROEI · GROEI
Hoofdkantoor van ASML in Veldhoven
Groei op lange termijn
Structurele groei is groei van de potentiële productie op lange termijn.
Op lange termijn bepaalt het aanbod die groei: de groei van de productiefactoren en de technologie.
De potentiële productie is wat een economie kan voortbrengen met haar kapitaal, arbeid en technologie.
Syllabus H2.1. Structurele groei gaat over productiecapaciteit, niet over de schommelingen van jaar tot jaar. Veelgemaakte fout: structurele groei verklaren met meer bestedingen (de vraagkant). Image credit: A ansems / Wikimedia Commons, publiek domein
WELVAART EN GROEI · GROEI
Een robotarm houdt een gitaarbody tegen een polijstwiel
De productiefunctie
De productiefunctie: Y = A f(K, L).
Y is de potentiële productie, K het kapitaal en land, L de arbeid.
A is de totale factorproductiviteit: hoe goed K en L samen worden benut.
f(·) is het verband: hoe K en L samen Y opleveren.
Syllabus H2.2. Bij dit onderwerp wordt de productiefunctie alleen grafisch onderbouwd (aanwijzing (1)): je rekent dus niet met een formule voor f, je leest en verschuift grafieken. Veelgemaakte fout: K zien als geld; het gaat om kapitaalgoederen zoals machines en gebouwen, plus land. Image credit: Henrysz / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
WELVAART EN GROEI · GROEI
Meer K, meer L of hogere A
Y stijgt als K hoger wordt: bijvoorbeeld extra machines.
Y stijgt als L hoger wordt: bijvoorbeeld meer werkenden.
Y stijgt als A hoger wordt: dezelfde K en L leveren meer op.
Wordt K, L of A lager, dan daalt Y.
Drie routes naar een hogere potentiële productie. Vraag: welke route is in een land als Nederland het belangrijkst op lange termijn? Dat leidt naar A, het derde blok.
Vul in: de productiefunctie
In de productiefunctie staat K voor kapitaal en land en L voor arbeid; Y is de potentiële productie van het land.
K = kapitaal en land, L = arbeid, Y = potentiële productie. De afleiders A (de totale factorproductiviteit) en inflatie horen er niet bij.
Een bedrijf neemt 20 extra werknemers aan; de rest blijft gelijk. Wat verandert?
L stijgt, dus Y stijgt
K stijgt, dus Y stijgt
A stijgt, dus Y stijgt
L stijgt, maar Y blijft gelijk
Extra werknemers betekent meer arbeid (L). Verwachte fout: A kiezen, maar A verandert alleen als dezelfde K en L meer opleveren.
WELVAART EN GROEI · GROEI
Productie Y bij oplopend kapitaal K (arbeid constant)
Afnemende meeropbrengsten
Meer K (met L gelijk) geeft meer Y: een positieve meeropbrengst.
Maar elke extra eenheid K levert minder extra Y op dan de vorige: de lijn wordt vlakker.
In de grafiek: Y 40, 60, 80, 100 bij K 16, 36, 64, 100. Telkens meer K voor dezelfde stijging.
Dit heet afnemende meeropbrengsten; het geldt ook voor arbeid L.
Syllabus H2.2: positieve maar afnemende meeropbrengsten van K en L. Lees het af: Y +20 kost eerst 20 extra K (16 naar 36), dan 28 (36 naar 64), dan 36 (64 naar 100). Veelgemaakte fout: denken dat Y daalt bij veel K; Y blijft stijgen, alleen minder per eenheid. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0
WELVAART EN GROEI · GROEI
Kapitaal, arbeid en productie van Eilandia
Constante schaalopbrengsten
Verdubbelen K en L allebei, dan verdubbelt Y: constante schaalopbrengsten.
Eilandia: K 16 en L 25 geven Y = 100; K 32 en L 50 geven Y = 200.
Alleen K vier keer zo groot (situatie 3): Y wordt slechts twee keer zo groot.
Syllabus H2.2: verdubbeling van K en L leidt tot verdubbeling van Y (A gelijk). Het verschil: afnemende meeropbrengsten gaan over een stijging van een factor met de andere gelijk; schaalopbrengsten over K en L samen. Veelgemaakte fout: de twee begrippen door elkaar halen. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0
WELVAART EN GROEI · GROEI
Productiefunctie voor en na innovatie
Meer A verschuift de lijn
Een hogere A verschuift de hele productiefunctie omhoog.
Bij dezelfde K = 36 (en L gelijk) is Y na innovatie 90 in plaats van 60.
Meer K geeft een beweging langs de lijn; meer A een verschuiving van de lijn.
Zo blijft groei mogelijk ondanks afnemende meeropbrengsten.
De belangrijkste les voor grafiekvragen: beweging langs de lijn (K of L verandert) tegenover verschuiving van de lijn (A verandert). In dit diagram staat L constant; ook meer L zou in een K-diagram de lijn verschuiven. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0
Zie de grafiek met afnemende meeropbrengsten: bij welke K is Y gelijk aan 60?
K = 16
K = 64
K = 60
K = 36
Af te lezen: Y = 60 hoort bij K = 36. Verwachte fouten: K = 60 (de waarde van Y overnemen) en K = 64 (Y = 80).
Eilandia: van situatie 1 naar 2 verdubbelen K en L. Wat gebeurt er met Y?
Y wordt vier keer zo groot, van 100 naar 400
Y verdubbelt, van 100 naar 200
Y stijgt minder dan het dubbele, van 100 naar 150
Y blijft gelijk, van 100 naar 100
Dit zijn constante schaalopbrengsten. Verwachte fout: afnemende meeropbrengsten toepassen, maar die gelden voor een stijging van een factor.
WELVAART EN GROEI · GROEI
Hoofdkantoor van ASML in Veldhoven
Wat verhoogt A? Technologie en kennis
Innovatie: een nieuw product (productinnovatie) of een nieuwe productiemethode (procesinnovatie).
R&D: onderzoek en ontwikkeling in bedrijven en op universiteiten.
Learning by doing: je wordt productiever doordat je het werk steeds opnieuw doet.
Ook onderwijs, onderzoek en handel verhogen A.
Syllabus H2.3. Handel verhoogt A omdat landen zich specialiseren en kennis van elkaar overnemen. Veelgemaakte fout: onderwijs rekenen tot K; een betere opleiding verhoogt de kwaliteit van L en A, maar het is geen machine of gebouw. Image credit: A ansems / Wikimedia Commons, publiek domein
WELVAART EN GROEI · GROEI
Knooppunt Coenplein bij Amsterdam (A8 en A10)
Wat verhoogt A? Omstandigheden
Betere infrastructuur: wegen, havens en netwerken verlagen de kosten van produceren.
Een beter milieu, zoals schonere lucht en water, ondersteunt productie en gezondheid.
Een gunstige geografische ligging, bijvoorbeeld aan zee of in het midden van handelsroutes.
Politieke stabiliteit: ondernemers durven te investeren als de regels niet steeds wisselen.
Syllabus H2.3. Dit zijn de omstandigheden waar een land weinig aan kan veranderen (ligging) of lang over doet (infrastructuur). Veelgemaakte fout: infrastructuur alleen als K zien; de syllabus rekent het onder A. Image credit: Milliped / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
WELVAART EN GROEI · GROEI
Kantoor van het Kadaster in Apeldoorn
Instituties en eigendomsrechten
Instituties zijn de spelregels: kwaliteit van de overheid, eigendomsrechten en rechtsstaat, regels voor eerlijke mededinging.
Zijn eigendomsrechten veilig, dan durven mensen te investeren en iets nieuws te proberen.
Betere instituties verhogen A: de productiefunctie verschuift omhoog.
Syllabus H2.3: onder instituties vallen onder meer kwaliteit overheid, eigendomsrechten en rechtsstaat, regels voor eerlijke mededinging. Het Kadaster legt vast wie eigenaar van onroerend goed is. Veelgemaakte fout: instituties zien als gebouwen; het gaat om regels en hoe goed ze werken. Image credit: Pimvantend / Wikimedia Commons, CC BY 3.0
WELVAART EN GROEI · GROEI
Franse les op het instituut Schoevers, Amsterdam 1916
Groeibevorderend beleid
Groeibevorderend beleid is beleid dat A, K of L verhoogt.
Voor A: geld voor onderwijs en onderzoek, betere infrastructuur, een sterke rechtsstaat.
Voor K: een gunstig klimaat voor investeringen in machines en gebouwen.
Voor L: beleid waardoor meer mensen kunnen en willen werken, zoals goede kinderopvang.
Syllabus H2.4: structureel of groeibevorderend beleid is beleid dat A, K of L verhoogt. Het werkt langzaam; het is aanbodbeleid. Veelgemaakte fout: een tijdelijke stimulering van de bestedingen groeibevorderend noemen. Image credit: Kees Hofker / Wikimedia Commons, publiek domein
Vul in: A verhogen
Door learning by doing stijgt de totale factorproductiviteit, omdat werknemers sneller en beter werken met ervaring.
Learning by doing is productiever worden door het werk steeds te doen. Verwachte fout: procesinnovatie kiezen, dat is een nieuwe productiemethode.
Welke maatregel is groeibevorderend beleid?
Een subsidie voor onderzoek en ontwikkeling door bedrijven
Een tijdelijke btw-verlaging om de consumptie op te voeren
Hogere uitkeringen, zodat huishoudens meer besteden
Een verbod op de invoer van buitenlandse auto's
R&D verhoogt A, dus dit is groeibevorderend. De afleiders werken op de vraagzijde of op handel en verhogen A, K of L niet.
Wat vond je het lastigst in deze les?
De grafiek: afnemende meeropbrengsten
Schaalopbrengsten tegenover meeropbrengsten
Beweging langs of verschuiving van de lijn
Wat A verhoogt, ook instituties
Gebruik de uitkomst om de examentraining te sturen.
Noem een factor die A in Nederland verhoogt.
Goed: bijvoorbeeld goed onderwijs, een betrouwbare rechtsstaat, havens en wegen, innovatie of handel, met een korte reden. Verwachte fout: een factor van K of L noemen, zoals meer machines.
WELVAART EN GROEI · GROEI
Begrippen (1/2)
structurele groei: Groei van de potentiële productie op lange termijn, door het aanbod.
productiefunctie: Y = A f(K, L): het verband tussen kapitaal, arbeid, A en de potentiële productie.
potentiële productie: Wat een economie kan voortbrengen met haar kapitaal, arbeid en technologie.
totale factorproductiviteit: A: hoe goed kapitaal en arbeid samen worden benut.
afnemende meeropbrengsten: Elke extra eenheid K of L levert minder extra Y op.
This item has no instructions
WELVAART EN GROEI · GROEI
Begrippen (2/2)
constante schaalopbrengsten: Verdubbelen K en L, dan verdubbelt Y.
innovatie: Een nieuw product (productinnovatie) of een nieuwe productiemethode (procesinnovatie).
learning by doing: Productiever worden doordat je het werk steeds opnieuw doet.
instituties: Spelregels: kwaliteit overheid, eigendomsrechten, rechtsstaat, eerlijke mededinging.
groeibevorderend beleid: Beleid dat A, K of L verhoogt.
This item has no instructions