This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.
Lesson duration is: 50 min
Items in this lesson
Rekenen
Niveau 3, periode 1
Grootheden en eenheden
Slide 1 - Slide
Wat is een grootheid?
Een grootheid is een eigenschap die je kunt meten.
Een voorbeeld is lengte.
Slide 2 - Slide
Wat is een eenheid?
De eenheid is de maatwaarin je een grootheid meet.
De eenheid komt achter een getal te staan.
Een eenheid van lengte is bijvoorbeeld cm
Slide 3 - Slide
Slide 4 - Video
Noem een grootheid. (wat kun je meten?)
Slide 5 - Mind map
Noem een eenheid van lengte
Slide 6 - Mind map
Noem een eenheid van tijd
Slide 7 - Mind map
Wat is een grootheid en wat is een eenheid?
Grootheid
Eenheid
lengte
oppervlakte
seconde
kilogram
snelheid
centimeter
uur
tijd
kilometer
gewicht
hectare
Slide 8 - Drag question
Zet de eenheden van lengte van groot (links)
naar klein (rechts)
km
hm
dam
m
dm
cm
mm
Slide 9 - Drag question
Met welk getal moet vermenigvuldigd worden om te weten hoeveel centimeter 2 meter is?
A
10
B
20
C
100
D
1000
Slide 10 - Quiz
Hoeveel meter is 70 350 km? Vul alleen een getal in.
Slide 11 - Open question
57 cm + 10 dm =
A
15,7 dm
B
57,1 cm
C
571 cm
D
10,57 dm
Slide 12 - Quiz
Hoe laat is het op deze klok?
A
10:25
B
09:25
C
05:47
D
06:47
Slide 13 - Quiz
90 minuten =
getal
eenheid
300 minuten =
4 weken + 4 dagen =
Sleep de getallen en eenheden naar de juiste plaats.
Let op: je gebruikt niet alles.
32
26
kwartier
uur
2,5
dagen
minuten
5
6
Slide 14 - Drag question
Hoeveel minuten duurt 4 1/2 uur? Vul alleen een getal in.
Slide 15 - Open question
Welk rijtje klopt niet van groot naar klein?
A
jaar - maand - dag - minuut
B
jaar - uur - kwartier - seconde
C
eeuw - jaar - kwartaal - minuut
D
maand - uur - kwartaal - minuut
Slide 16 - Quiz
3 ton is...
euro
kilogram
3 000
30 000
300 000
3 000 000
Slide 17 - Drag question
Zet de eenheden van gewicht van groot (links) naar klein (rechts)
kg
mg
ton
g
Slide 18 - Drag question
Welk gewicht aan rozijnen is nodig voor 10 appeltaarten?
A
6 kg
B
0,6 kg
C
6000 mg
D
6000 g
Slide 19 - Quiz
Aisha heeft € 3,55 in haar portemonnee. Zij koopt een broodje van 80 cent. Hoeveel geld zit er nu nog in haar portemonnee?
A
B
C
D
Slide 20 - Quiz
Eenheden van informatie (DATA)
Slide 21 - Slide
2 MB + 3 GB = .... MB
A
5 MB
B
3000 MB
C
3002 MB
D
3200 MB
Slide 22 - Quiz
Hoeveel KB is 2,5 GB
Slide 23 - Open question
Je komt niet uit met je abonnement van 3GB. Je ziet dat je per maand 2181 MB kwijt bent aan internetten, 650 MB met bellen en 2010 MB met TV kijken. Voor hoeveel GB kun je het beste een abonnement afsluiten?
Slide 24 - Open question
KB, MB, GB, TB Rekenen met data, hoe gaat dat bij jou?