4.1 Een stroomkring maken






Hoofdstuk 4                               Elektriciteit 
1 / 36
next
Slide 1: Slide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolvmbo t, havoLeerjaar 2

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson






Hoofdstuk 4                               Elektriciteit 

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Video

Slide 3 - Video

Hoofdstuk 4 Elektriciteit

4.1     Een stroomkring maken

Slide 4 - Slide

Leerdoelen:
1.    Je kunt uitleggen hoe je een  gesloten stroomkring maakt
2.   Je kunt de verschillende onderdelen van een stroomkring
       benoemen
3.   Je kunt het verschil tussen geleiders en isolatoren 
       benoemen en kunt er een aantal benoemen
4.   Je kunt uitleggen op welke manier je de stroomsterkte meet

Slide 5 - Slide

Stelling 4: Een isolator laat elektrische stroom er makkelijk doorheen.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 6 - Quiz

Welk van onderstaande stof is een isolator?
A
zilver
B
papier
C
goud
D
koolstof

Slide 7 - Quiz

Koper is een isolator
A
waar
B
niet waar

Slide 8 - Quiz

Geleider of Isolator?
Elektrische stroom bestaat uit lading die zich verplaatst.


Een geleider geeft de elektrische stroom goed door. 

Een isolator geeft de elektrische stroom niet goed door. 

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Een voorbeeld van een geleider is
A
Kopje
B
Metalen lepel
C
Bord
D
Glas

Slide 11 - Quiz

Stroomkring moet gesloten zijn om stroom te laten lopen

Slide 12 - Slide


Onderdelen Stroomkring
1. Elektriciteit: Alle stoffen bestaan uit elektrische deeltjes.
               Als deze gaan stromen dan hebben we elektriciteit.

2. Spanningsbron: Brengt elektrische deeltjes in beweging en 
                    geeft ze energie mee. Bijv. Batterij, accu of zonnecel.

3. Geleiders: Een stof waar makkelijk elektrische stroom door                                heen gaat. Bijv. metalen en water.

4. Isolator: Een stof waar moeilijk elektrische stroom door                                    heen gaat. Bijv. plastic, glas of hout.

5. Verbruiker: Dat gebruikt de elektrische energie.
                              Bijv. Lampje zet elektrische energie om in
                              warmte en licht.

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Wordt de stroom doorgelaten?

Slide 15 - Slide

Aan de slag!
4.1 maken

Slide 16 - Slide

Wordt de stroom doorgelaten?
leg uit!

Slide 17 - Open question

serie-schakelingof paralel-schakeling?

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Video

serie-schakeling of paralel-schakeling?
A
serie-schakeling
B
paralel-schakeling?

Slide 20 - Quiz

serie-schakeling of paralel-schakeling?
A
serie-schakeling
B
paralel-schakeling?

Slide 21 - Quiz

a. Is deze schakeling serie of paralel?
b. Branden de lampjes

Slide 22 - Open question

Opdracht: Teken deze schakeling

Slide 23 - Slide

Waar of Niet waar?

Slide 24 - Slide

De symbolen in schakelschema's zijn overal ter wereld hetzelfde?
A
Waar
B
Niet waar

Slide 25 - Quiz

Een accu is een spanningsbron en heeft een plus- en een minpool
A
Waar
B
Niet waar

Slide 26 - Quiz

Een isolator houdt de stroom tegen
A
Juist
B
Onjuist

Slide 27 - Quiz

De stroom in een stroomkring loopt altijd van:
A
- naar +
B
x naar y
C
y naar x
D
+ naar -

Slide 28 - Quiz

Vul het ontbrekende woord in:
Met een ........... kan een stroomkring op een nette manier onderbroken worden
A
lampje
B
batterij
C
snoer
D
schakelaar

Slide 29 - Quiz

Om schakelingen te verduidelijken worden er overzichtelijke tekeningen gemaakt. Hoe noem je zo'n overzichtelijke tekening?
A
serieschema
B
parallelschema
C
schakelschema
D
plattegrond

Slide 30 - Quiz

Welke lampjes branden het felste?
A
serie-schakeling
B
parralel-schakeling

Slide 31 - Quiz

De gemengde schakeling
Lamp 1 brandt het felst.
Draai je 1 los, dan valt alles uit.
Draai je 2 of 3 uit, dan valt alleen deze lamp uit.

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Slide


Welk lampje valt uit als je:
a 2 losdraait ?6 Welk lampje valt uit als je:
a 2 losdraait ?
b 4 losdraait ?
T6 Welk lampje valt uit als je:
a 2 losdraait ?
b 4 losdraait ?
c 1 losdraait ?ekst
A

Slide 34 - Quiz

5 Leg uit welke lamp (en) branden als je:
a Alleen a sluit
b Alleen b sluit

Slide 35 - Slide

7 Bepaal de stroomsterkte op plek A.

Slide 36 - Slide