This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.
Items in this lesson
Slide 1 - Slide
Slide 2 - Slide
Wat is géén spanningsbron?
A
Stopcontact
B
Batterij
C
Accu
D
Lampje
Slide 3 - Quiz
Wat kun je zeggen van een stroomkring waarvan het lampje brandt?
A
De stroomkring is gesloten
B
De stroomkring is rond
C
De stroomkring is open
D
Er is geen stroomkring
Slide 4 - Quiz
Metalen zijn..
A
goede geleiders
B
goede isolatoren
Slide 5 - Quiz
Waaruit bestaat een gesloten stroomkring?
A
spanningsbron-stroomdraden-lamp-
B
spanningsbron-lamp
C
spanningsbron-stroomdraden
D
spanningsbron
Slide 6 - Quiz
Bij welk van de 3 nummer zie je een geleider?
A
1
B
2
C
3
Slide 7 - Quiz
Welk onderdeel levert elektriciteit?
A
stroomdraden
B
spanningsbron
C
lamp
D
schakelaar
Slide 8 - Quiz
Ampère staat voor
A
spanning
B
druk
C
stroomsterkte
Slide 9 - Quiz
6 batterijen van 1,5 V worden op de juiste manier in serie geschakeld. dit levert een spanning op van:
A
0 V
B
1,5 V
C
4,5 V
D
9 V
Slide 10 - Quiz
A
Stroommeter
B
Spanningsmeter
Slide 11 - Quiz
Elektrische spanning druk je uit in
A
Ampère
B
Ohm
C
Volt
D
Watt
Slide 12 - Quiz
Een serieschakeling is een .....
A
schakeling met vertakkingen
B
schakeling zonder vertakkingen
Slide 13 - Quiz
Een parallelschakeling is een ....
A
schakeling met vertakkingen
B
schakeling zonder vertakkingen
Slide 14 - Quiz
Wat voor schakeling zie je hier?
A
Serieschakeling
B
Parallelschakeling
C
Gemengde schakeling
Slide 15 - Quiz
Wat zijn de voor en nadelen van serieschakeling in vergelijking met een parallelschakeling?
Slide 16 - Open question
Wat gebeurd er met een lampje als je er 5x zoveel spanning doorheen laat gaan dan waarvoor het lampje gemaakt is
A
Het lampje brand heel fel
B
Het lampje brand zwakjes
C
Het lampje brand niet
D
Het lampje brand door
Slide 17 - Quiz
Leg uit wat het verschil is tussen stroomsterkte en spanning.
Slide 18 - Open question
Wat betekend "vermogen"?
A
Hoe warm een apparaat kan worden
B
Hoeveel spanning er maximaal door het apparaat heen kan gaan
C
Hoeveel elektrische energie een apparaat gebruikt
D
Hoeveel elektrische deeltjes het apparaat nodig heeft om te werken
Slide 19 - Quiz
Wat voor soort schakeling zie je hier?
A
Serieschakeling
B
Parallelschakeling
C
Gemengde schakeling
Slide 20 - Quiz
Wat is de juiste formule om vermogen te berekenen?
A
Vermogen = spanning x stroomsterkte
B
Vermogen = spanning : stroomsterkte
C
Vermogen = stroomsterkte : spanning
D
Vermogen = spanning + stroomsterkte
Slide 21 - Quiz
Wat is de eenheid van vermogen?
Slide 22 - Open question
Op welke plek(ken) kan je de totale stroomsterkte in deze schakeling het beste meten?
Slide 23 - Open question
Welke combinatie van grootheid en eenheid horen bij elkaar?
A
spanning en ampère
B
stroomsterkte en volt
C
spanning en volt
D
volt en ampère
Slide 24 - Quiz
Reken om: 5A = ........mA 0,45 A = ......mA 710 mA = .........A 50 mA = ........A 50 V = ........kV 1,6 kV = ........V
Slide 25 - Open question
De spanning op een batterij is 6 V. De stroomsterkte door de gloeilamp is 3 A. Bereken het vermogen.
Vermogen = spanning x stroomsterkte
De spanning op een batterij is 6 V. Het vermogen van een gloeilamp is 18W. Bereken de stroomsterkte .
Stroomsterkte = vermogen : spanning
stroomsterkte = vermogen : spanning
Slide 26 - Open question
Een ventilator werkt op een spanning van 230 V. Het totale vermogen van deze ventilator is 14000 W. Bereken de stroomsterkte tijdens het drogen. Formule: vermogen = spanning x stroomsterkte Rond af op gehele getallen.
Slide 27 - Open question
Teken het volgende schakelschema : - Batterij - 5 lampjes parallel geschakeld - 1 schakelaar om alle lampjes aan en uit te zetten. - 1 schakelaar om de laatste 3 lampjes aan en uit te zetten - een stroommeter om de totale stroomsterkte te kunnen meten