2 maart 2026

Programma 2 maart 2026
1. Presentaties
2. Herhaling adjectieven met of zonder -e
3. Wie is de bedrieger?
4. Een hoofdzin in de tegenwoordige tijd in de verleden tijd zetten.
5. Energizer
6. Zebra H. 8/ 15
7. Kahoot: tegenwoordige tijd en verleden tijd
1 / 19
next
Slide 1: Slide
NT2PraktijkonderwijsLeerjaar 2

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Programma 2 maart 2026
1. Presentaties
2. Herhaling adjectieven met of zonder -e
3. Wie is de bedrieger?
4. Een hoofdzin in de tegenwoordige tijd in de verleden tijd zetten.
5. Energizer
6. Zebra H. 8/ 15
7. Kahoot: tegenwoordige tijd en verleden tijd

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Een bijvoeglijk naamwoord eindigt altijd op een -e.
A
waar
B
niet waar

Slide 2 - Quiz

Een Syrisch meisje. 
BN geen -e
Wanneer eindigt een bijvoeglijk naamwoord op -e?
Er zijn twee antwoorden goed!
A
Als er ''de'' voor het zelfstandig naamwoord staat.
B
Als er ''het'' voor het zelfstandig naamwoord staat.
C
Als er ''een'' voor een zelfstandig naamwoord staat.
D
Als het bijvoeglijk naamwoord aan het einde van de zin staat.

Slide 3 - Quiz

This item has no instructions

Je schrijft een bijvoeglijk naamwoord ALTIJD met -e als voor het zelfstandig naamwoord het lidwoord 'de' staat.
A
waar
B
niet waar

Slide 4 - Quiz

This item has no instructions

Je schrijft een bijvoeglijk naamwoord ALTIJD met -e als voor het zelfstandig naamwoord het lidwoord 'het' staat.
A
waar
B
niet waar

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

Het ........................ meisje (het)
Bijvoeglijk naamwoord: knap

Slide 6 - Open question

This item has no instructions

De ........................ jongen (de)
Bijvoeglijk naamwoord: slim

Slide 7 - Open question

This item has no instructions

Een ........................ meisje (het)
Bijvoeglijk naamwoord: knap

Slide 8 - Open question

This item has no instructions

Een ........................ jongen (de)
Bijvoeglijk naamwoord: slim

Slide 9 - Open question

This item has no instructions

Een hoofdzin in de tegenwoordige tijd (5 zinsdelen)
Het onderwerp (Wie of wat doet de actie?)
Het werkwoord (Actiewoord)
De tijd (Tijd van nu)
Een object (dit zinsdeel is optioneel)
De plaats (Waar gebeurt het?)
Voorbeeld:
De klok hangt nu mooi aan de muur.

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Zet de zin in de verleden tijd.
Voorbeeld:
De klok hangt nu mooi aan de muur.

De klok hing gisteren mooi aan de muur.

Het werkwoord en de tijd veranderen mee.
Begin met een hoofdletter, eindig met een punt en let altijd op de spelling!

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Maak je eigen zin met 5 zinsdelen in de tegenwoordige tijd
(onderwerp-werkwoord-tijd-object-plaats) en zet die zin in de verleden tijd.

Slide 12 - Open question

This item has no instructions

Maak nu samen 5 zinnen (met 5 zinsdelen) in de tegenwoordige tijd en zet dezelfde zin eronder in de verleden tijd.

(onderwerp-werkwoord-tijd-object-plaats)

Klaar?
Speel de wordwall in de volgende dia.

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Slide 14 - Link

This item has no instructions

Slide 15 - Video

This item has no instructions

Zebra H.8/ H.15
H.8: Samen met de docente
H.15: Zelfstandig: 


p. 282-283
oef. 11
p.284
oef.12
p.286-287
oef.16
p.288-289-290
oef. 21

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Slide 18 - Link

This item has no instructions

Slide 19 - Link

This item has no instructions