woordvolgorde 1z1 alfa A/B

1 / 16
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Vraag de leerlingen wat ze zien op de foto. geef geen antwoord. 
Leerlingen gaan zelf ontdekken.
ik
jij
hij
zij 
(2 mensen)
wij
zij/ze (1)
jullie
u

Slide 2 - Drag question

5 minuten:
Herhaal met de leerlingen de persoonlijk voornaamwoorden  zodat dit onderdeel bekend is en er denkruimte over is voor de plaats van het woord.
Koop
drink
lees
eet

Slide 3 - Drag question

5 minuten.
herhaal de werkwoorden zodat dit straks vanzelf gaat en de focus ligt op de woordvolgorde/ plaats van het werkwoord.

Slide 4 - Slide

15 minuten.

Voelen: 3 leerlingen krijgen een kaart met een van de drie pictogrammen

Zorg dat elke leerling wéét welk woord er uitgebeeld wordt op de foto. 

ZE gaan zitten. De leerlingen spreken een voor een het woord uit. 
De rest van de klas bespreekt: klopt de zin?  Geef de leerlingen de tijd. stuur eventueel alleen bij door de woorden te herhalen in de volgorde waarin ze zitten.
zijn ze eruit? hang de foto's op de gekozen volgorde op het white bord. 

Vervolgens krijgen 3 leerlingen een andere kaart en gaan zitten; spreek uit; klopt de zin? 

Leerlingen bespreken samen eventueel met lln in de klas. Docent blijft stil en laat de discussie zijn vrije loop. 

zijn de leerlingen klaar? De rest van de klas is toeschouwer en mag nu de zin opzeggen, meedenken en herstructureren. 
Dan gaan de foto's in de gekozen woordvolgorde weer aan het bord.
zo ontstaat er een rij met zinnen gemaakt van picto's.



Hij              koopt             een jas.

Slide 5 - Slide

Nu kijken we naar de picto's op het bord. 
Ik lees de picto's voor.
De leerlingen krijgen 3 kaarten. 
1kaart met een punt. een kaart met een vraagteken en een kaart met een kruis.
Nu moeten ze deze kaarten achter de gemaakte picto-zinnen zetten.

Koopt            hij               een jas?

Slide 6 - Slide

Wat gebeurt er? Waar is een vraag?
Welke pictozinnen op het bord zijn ook een vraag?  
Welke volgorde herken je? Structuur? Welke horen bij elkaar?

Komen de vragen bij de vragen terecht?
En de zinnen bij de zinnen?
Zijn er ook fouten? waarom?

Slide 7 - Slide

Leerlingen plakken de punt, het vraagteken of het kruis achter de zin.
Vatten: bespreek de zinnen nu een voor een na: wat gebeurt er als je de woordvolgorde verandert?

Eventueel: waar staat de persoonsvorm ( de actie- wat doet hij)?

Voor extra voelen:
nog een keer de 3 kaarten uitdelen.
Ik houd de picto omhoog (vraag of punt) Wie moet waar? gaan de leerlingen nu op de juiste plaats zitten?
Bespreek waarom. De persoonsvorm (de actie) staat vooraan/op de 2e plaats.

Slide 8 - Slide

10 minuten: 
Van voelen naar vatten:
zonder slide:
Ieder leerling krijgt de picto's voor Hij koopt een jas.  ze vertalen de zin naar hun eigen taal. Ze leggend e picto's neer in de volgorde van hun eigen taal. 1-2-3.
loop rond.
 Bespreek bij elke leerling zijn eigen taal a.d.v. de bijbehorende slide.


Tigrinya slide: 
 In het Tigrinya: in ja/nee-vragen hebben zinnen dezelfde woordvolgorde als in stellende zinnen, d.w.z. met het werkwoord achteraan. Aan het woord dat bevraagd wordt, wordt het achtervoegsel '-do' vastgeplakt: 
Dehan-do      ‘allokum?  
Goed-vraag   met jou  
‘Gaat het goed met jou?' 

Moedertaalsprekers van het Tigrinya vinden het waarschijnlijk lastig om de woordvolgorde in Nederlandse ja/nee-vragen goed toe te passen 

https://www.moedint2.nl/languages/15?cat_id=90&hideCategories=true&hideProblems=false 

Conclusie:  leerlingen begrijpen het verschil. 
Vatten: samen kijken we terug naar het Nederlands.

Let op: leerlingen kunnen ook vallen over het woordje 'een'.
Focus ligt op onderwerp en persoonsvorm.

Slide 9 - Slide

In het Perzisch vindt er nooit een omkering van onderwerp en persoonsvorm plaats: een vraagzin wordt aangeduid met een stijgende intonatie aan het einde van de zin. 
Soms wordt het woord ‘āyā’ aan het begin van de zin geplaatst, zodat het meteen duidelijk wordt dat het om een vraagzin gaat. 
Zie kopje stellende zin en zie kopje vraagzin.  https://www.moedint2.nl/languages/29?cat_id=182&hideCategories=true&hideProblems=false 

Conclusie:  leerlingen begrijpen het verschil. 
Vatten: samen terug naar het Nederlands.

Let op: leerlingen kunnen ook vallen over het woordje 'een'.
Focus ligt op onderwerp en persoonsvorm.

Slide 10 - Slide

Arabisch: Mogelijk moeten uw cursisten eraan wennen dat een stellende zin in het Nederlands niet kan beginnen met een werkwoord.

De vraagzin wordt gemaakt met intonatie, maar dezelfde woordvolgorde als de stellende zin.
En soms gebruiken ze het woordje Hal om aan te geven dat iets een vraag is.

Conclusie:  leerlingen begrijpen het verschil. 
Vatten: vamen terug naar het Nederlands.

Let op: leerlingen kunnen ook vallen over het woordje 'een'.
Focus ligt op onderwerp en persoonsvorm.

Slide 11 - Slide


één leerling spreekt Wolof en Senegalees Frans.  Voor hem ook in Wolof. 
Eventueel nog in Frans als hij daarom vraagt: 
Kan beide.... achete il of il achete une veste


Slide 12 - Slide

gebruik deze slide alleen als conclusie. 

KIJK! Alleen in het Nederlands verandert de woordvolgorde van een stellende zin naar een vraag!

Slide 13 - Link

Laten zien waar ik het vandaan heb en Kijken of het klopt. Bespreken per taal. Klopt dit? zijn er uitzonderingen? 
Laat ze een conclusie trekken. 
Vatten: in het Nederlands: de woordvolgorde is belangrijk. Is het een vraagzin? of is het een 'gewone' zin.?

Slide 14 - Slide

Verwerken:

leerlingen gaan nu praten over de praatplaat. A stelt een vraag: B antwoordt

Leest de kip een boek?
Ja, de kip leest een boek.
Eet de hond kaas?
Ja, de hond eet kaas.
Eet de jongen een boek?
Ja de jongen eet een boek.
Drinkt de hond water? 
Ja de hond drinkt water.


Slide 15 - Slide

Eventueel extra verwerken.

Leest de vrouw een boek? 
Ja, de vrouw leest een boek.
Zit de kip op een stoel?
Ja, de kip zit op een stoel.
Eet de kat een broodje?
Ja, de kat eet een broodje.



Slide 16 - Slide

Pictogrammen