H4 - Woche 12 - Stunde 1

H4 - Woche 12 - Stunde 1
1 / 22
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 3-5

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

H4 - Woche 12 - Stunde 1

Slide 1 - Slide

Planung

Wochenaufgaben checken 

Wiederholug K2: Modalverben

Lektion 5:
  • Wortschatz: Lernbox besprechen
  • Lesen und Hören: ohne Geld
  • Selbstständig arbeiten
Ziele

  • Je kent de Modalverben in de o.t.t., o.v.t. en de zou-vorm.

  • Je kunt over het algemeen de hoofdpunten volgen van een uitgebreide, informele discussie die rondom jou wordt gevoerd.



Slide 2 - Slide

Wochenaufgaben checken
Fertig: K4
  • Lektion 4: Aufgabe 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44
  • Grammatik: Aufgabe meervoud zelfstandig naamwoorden (K1) bookwidgets
  • Grammatik: Aufgabe Personalpronomen (K1) bookwidgets
Kennen: K4
  • Lernbox Lektion 4 D-N


Gibt es Fragen über die Wochenaufgaben?

Slide 3 - Slide

Kapitel 1:

  • Lernbox: Lektion 3 & Lektion 6 (Niederländisch-Deutsch)
  • Grammatik: haben, sein, werden in o.v.t./o.t.t./ volt.tijd/ zou- vorm X
  • Grammatik: zwakke werkwoorden in o.t.t. X
  • Grammatik: de vraagwoorden X
  • Grammatik: Meervoud van zelfstandig naamwoorden X
  • Grammatik: zwakke werkwoorden in o.t.t. met stam op -d/-t of s-klank & werkwoorden regnen, rechnen, zeichnen, atmen, öffnen, begegnen X
  • Grammatik: Persoonlijk voornaamwoorden in 1. 3. 4. naamval X

Kapitel 2
  • Lernbox: Lektion 3 & Lektion 6 (Niederländisch-Deutsch)
  • Grammatik: Modalverben in o.t.t./ o.v.t./ zou-vorm
  • Grammatik: Zou-vorm (Konjunktiv II) hoofdregel en de eigen zou-vorm van haben, sein & Modalverben
  • Grammatik: Volgorde van werkwoorden
  • Grammatik: Voorzetsels & Keuzevoorzetsels met 3e en 4e naamval
  • Grammatik: Werkwoorden met een naamval (1e, 3e, 4e naamval)



Wiederholungscheck Toetsweek 3

Slide 4 - Slide

Was sind Modalverben?

Modalverben = modale werkwoorden


  • Gebruik je een modaal werkwoord in een zin, dan komt er meestal nog een heel werkwoord (infinitief) bij. 

  • Een modaal werkwoord geeft een bepaalde houding ten opzichte van het andere werkwoord aan, zoals noodzakelijkheid, waarschijnlijkheid, mogelijkheid, wenselijkheid en het ontbreken van noodzakelijkheid dan wel verplichting. Bijvoorbeeld:
       --> Wij kunnen een ijsje kopen.
       --> Jullie mogen in de zee zwemmen


Slide 5 - Slide

dürfen
können
müssen
wissen
sollen
wollen
mögen
möchten
mogen (toestemming hebben)
kunnen
moeten (noodzaak, het kan niet anders)
weten
moeten (wil van ander)
willen
leuk vinden, lusten
willen (wens)

Slide 6 - Drag question

Let op: betekenis
  • dürfen   (= mogen, toestemming hebben)
  • können (= kunnen)
  • mögen  (= lusten, leuk vinden, houden van)
  • müssen (= moeten als noodzaak)
  • sollen  (= moeten als wens van een ander, advies, bevel)
  • wollen  (= willen)
  • wissen (= weten - geen modaal ww, maar net zo vervoegd)
  • möchten (= zou graag willen - geen modaal ww)

Slide 7 - Slide

Kenmerken Modalverben o.t.t.
  • Ze hebben bijna allemaal een klinkerwisseling in de enkelvoudsvormen (ich, du, er/sie/es).

  • De uitgangen zijn onregelmatig en wijken dus af in vergelijk met de zwakke werkwoorden. Bij alle Modalverben krijgen de ich/er, sie, es vorm geen uitgang.  



Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Kenmerken Modalverben o.v.t.
  • In de verleden tijd (en het voltooid deelwoord) gebruik komt bij modale werkwoorden nooit een umlaut.

  • De uitgangen in de verleden tijd zijn gelijk aan de uitgangen van de zwakke werkwoorden in de verleden tijd: 
       ich = stam + te
       du = stam + test
       er/sie/es = stam + te
       wir = stam + ten
       ihr = stam + tet
       sie/Sie = stam + ten

De Modalverben hebben, net als haben & sein, een eigen vorm van het Konjunktiv (zou-vorm).

Hoe maak je de zou-vorm van de Modalverben?

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Ergänze imPräteritum: houden van

Ich ..... früher keinen Salat
A
mogte
B
möchte
C
mögte
D
mochte

Slide 12 - Quiz

Ergänze im Präsens: mogen

Ich ..... nur noch Energiespargeräte kaufen
A
dürf
B
darfe
C
dürfe
D
darf

Slide 13 - Quiz

Ergänze im Präsens: houden van

Wir ..... ihre Vorwürfe nicht
A
möchten
B
mögen
C
mochten
D
mogen

Slide 14 - Quiz

Ergänze im Präsens: weten

.... ihr, wie spät der Zug kommt?
A
weißt
B
wissen
C
wisst
D
weißen

Slide 15 - Quiz

Ergänze im Präsens: moeten

Er .... sich um 8 Uhr melden!
A
soll
B
sollt
C
sollte
D
söllte

Slide 16 - Quiz

Ergänze im Präteritum: mogen

....... ihr in der Grundschule im Sandkasten spielen?

A
dürftet
B
durftet
C
durftetet
D
dürftetet

Slide 17 - Quiz

Ergänze im Präteritum: weten

Der Schüler ........ nicht, ob er die Prüfung bestanden hat.
A
wüsste
B
wisste
C
wüsstete
D
wusste

Slide 18 - Quiz

Ergänze im Präteritum: willen

Sie (ev) ..... wissen, wann der Film anfängt
A
wolle
B
willte
C
wollte
D
wille

Slide 19 - Quiz

Kapitel 4 - Lektion 5
Besprechen: Lektion 5: Lernbox + Aufgabe 50, 51
Selbstständig machen: Aufgabe 50, 51 (Zeit: 20 MInuten) 

Fertig = 
  • Lernen: Lernbox Lektion 5 D-N
  • Lernen: Prüfung Toetsweek Kapitel 1 & Kapitel 2

Slide 20 - Slide

Wie gut beherrscht du die Modalverben im Präsens und Präteritum?

😒🙁😐🙂😃

Slide 21 - Poll

Nächste Stunde
Wiederholung K2:
  • Zou-vorm (Konjunktiv II) hoofdregel en de eigen zou-vorm van haben, sein & Modalverben
  • Grammatik: Voorzetsels & Keuzevoorzetsels met 3e en 4e naamval
  • Grammatik: Werkwoorden met een naamval (1e, 3e, 4e naamval)

Lektion 5: Lesen

Slide 22 - Slide