Les 7.2 - §14.3 Kracht en beweging


§14.3 Kracht en beweging
Lesplanning:
  1. Opstart
  2. Afronden opgaven §14.2
  3. Herhaling kracht en beweging a.d.h.v. stellingen
  4. Opgaven §14.3 maken
1 / 10
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

This lesson contains 10 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson


§14.3 Kracht en beweging
Lesplanning:
  1. Opstart
  2. Afronden opgaven §14.2
  3. Herhaling kracht en beweging a.d.h.v. stellingen
  4. Opgaven §14.3 maken

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Lesdoel
Aan het einde van de les kan je redeneren en rekenen met de wetten van Newton.

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Wat heeft dit met de 3e wet van Newton te maken?

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Aan de slag
Maken en nakijken
§14.2 opgave 14, 15, 17, 20 en 24
pagina 79
timer
15:00

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

De wetten van Newton

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Opdracht: stellingen wetten van Newton
  • Drietallen
  • Stellingen op de whiteboards; één juist en één onjuist
  • ronde 1: schrijf twee redeneringen waarom beide stellingen juist zijn.
                      Onderbouw met grafiek, krachtentekening en/of tekst.
  • ronde 2: kies de juiste redenering en vul de onderbouwing aan.
  • ronde 3: overleggen met elkaar.

Slide 6 - Slide

  • Een lift versnelt omhoog met 2 m/s²; de normaalkracht op een persoon is kleiner dan de zwaartekracht.
  • Een slee wordt met een touw onder een hoek getrokken; alleen de horizontale component van de trekkracht bepaalt de versnelling.
  • Een karretje rolt van een helling af; de normaalkracht en zwaartekracht samen veroorzaken een constante versnelling.
  • Een raket die met constante snelheid stijgt heeft een stuwkracht groter dan de zwaartekracht.
  • Een massa hangt aan een veer en beweegt op en neer; de resulterende kracht verandert in dezelfde frequentie van richting en grootte.
  • Een robotarm duwt tegen een doos met steeds grotere kracht; de versnelling neemt steeds sterker toe.

  • Een auto die versnelt, duwt sterker op de weg dan de weg op de auto.
  • Als twee objecten botsen, oefent het zwaardere object altijd een grotere kracht uit op het lichtere object.
  • Een bal die je loslaat in een rijdende trein valt recht naar beneden ten opzichte van de grond.
  • Een voorwerp dat een bocht maakt met constante snelheid ondervindt geen versnelling.
  • Als een raket omhoog beweegt, moet de stuwkracht groter zijn dan de zwaartekracht, ook wanneer hij met constante snelheid beweegt.
  • Een skateboarder die van een helling rolt versnelt omdat zijn massa groter is dan de kracht van de wrijving.
  • Als je een voorwerp harder duwt, wordt de wrijvingskracht altijd groter.
  • De normaalkracht is altijd even groot als de zwaartekracht.
  • De luchtweerstand neemt toe met de snelheid dus de versnelling van een vallend object is omgekeerd evenredig met de tijd.
  • Een auto die met een bepaalde versnelling optrekt op een helling ondervindt een grotere wrijvingskracht dan op een vlakke weg.
  • Wanneer een parachutist naar beneden valt met constante snelheid, is de zwaartekracht groter dan de luchtweerstand
  • Een constante resulterende kracht op een voorwerp betekent dat de het verband tussen afstand en tijd rechtevenredig is.
Nog moeite met krachten ontbinden?

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Voorbeeld 4 bespreken
Of starten met 
§14.3 opgave 32, 33 , 34 en 36

Slide 8 - Slide

This item has no instructions


Aan de slag

Maken en nakijken
 §14.3 opgave 32, 33 , 34 en 36
pagina 87
Tot 5 minuten voor het einde van de les.

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Leg met behulp van een wet van Newton of deze wielrenner zijn voorganger in gaat halen.

Slide 10 - Slide

This item has no instructions