ZELFREGULATIE · HORMONEN
Hormonale regulatie
Examenstof biologie havo
ZELFREGULATIE · HORMONEN
Hormonale regulatie
Examenstof biologie havo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: O2.2 (B4.2), specificatie 1 t/m 3. Image credit: Sander van Ginkel / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
ZELFREGULATIE · HORMONEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan uitleggen hoe hormonen via regelkringen onder meer de glucoseconcentratie regelen, ook bij sport en voeding.
This item has no instructions
Welke woorden horen bij het woord hormonen?
Verwacht: puberteit, groei, stress, adrenaline, insuline, suikerziekte, schildklier, doping. Koppel de woorden aan de begrippen van de les: hormoonklier, doelwitorgaan, regelkring. Veelgemaakte misvatting: hormonen horen alleen bij de puberteit of de voortplanting. Hormonen regelen ook je glucose, je stofwisseling en je reactie op schrik.
Een hormoon werkt alleen op cellen met de passende receptor
ZELFREGULATIE · HORMONEN
Hormonen en doelwitorganen
Een hormoon is een signaalstof die een hormoonklier aan het bloed afgeeft.
Het bloed vervoert het hormoon overal heen, maar alleen een doelwitorgaan reageert.
Cellen van het doelwitorgaan hebben een hormoonreceptor waar het hormoon op past.
Cellen zonder passende receptor reageren niet op dat hormoon.
Syllabus O2.2 specificatie 1 en 2: hormoon, hormoonklier, doelwitorgaan, hormoonreceptor, de doelorganen reageren op de hormonen. Gebruik het schema: de oranje hormonen komen langs alle cellen, maar alleen de cel met passende receptor reageert. Het slot-sleutelbeeld helpt. Veelgemaakte fout: denken dat een hormoon alleen naar het doelwitorgaan wordt gestuurd. Het hormoon gaat met het bloed overal heen. Image credit: Eigen figuur
ZELFREGULATIE · HORMONEN
Endocriene en exocriene klieren
Een endocriene klier heeft geen afvoerbuis en geeft hormonen rechtstreeks af aan het bloed.
Een exocriene klier heeft wel een afvoerbuis, bijvoorbeeld een speekselklier of een zweetklier.
De alvleesklier is beide: alvleessap gaat via een afvoerbuis naar de dunne darm, hormonen gaan naar het bloed.
Alle hormoonklieren met hun hormonen samen vormen het hormoonstelsel.
Hormonen werken trager en langer dan zenuwprikkels, omdat ze via het bloed reizen.
Syllabus O2.2: exocrien, endocrien, hormoonklier, hormoonstelsel. Endo betekent naar binnen (het bloed in), exo naar buiten. De alvleesklier maakt alvleessap voor de vertering (exocrien) en insuline en glucagon (endocrien). Veelgemaakte fout: een speekselklier of de lever tot de hormoonklieren rekenen. De zenuwen en prikkelgeleiding komen in de les over neurale regulatie.
ZELFREGULATIE · HORMONEN
De hormonale regelkring
In een hormonale regelkring past een klier de afgifte van een hormoon aan, afhankelijk van de hormoonconcentratie of de uitwerking ervan.
Bij negatieve terugkoppeling remt de uitwerking van het hormoon de klier, zodat de afwijking kleiner wordt.
Bij positieve terugkoppeling versterkt de uitwerking de afgifte, zodat de verandering steeds groter wordt.
Negatieve terugkoppeling houdt een waarde stabiel. Positieve terugkoppeling stopt pas als de gebeurtenis klaar is.
Voorbeeld positief: bij de bevalling geven weeën meer oxytocine af, en oxytocine versterkt de weeën.
Syllabus O2.2 specificatie 1: principes van een regelkring in het hormoonstelsel, hormoonconcentratie, positieve en negatieve terugkoppeling. De algemene regelkring (receptor, regelcentrum, effector) komt aan bod bij uitscheiding en homeostase. Hier gaat het om de hormoonconcentratie. Bijna alle regelkringen in het lichaam werken negatief. Veelgemaakte fout: denken dat negatief slecht betekent. Negatief betekent dat de verandering wordt tegengewerkt.
Welke cellen reageren op een hormoon dat in het bloed zit?
Alle cellen van het lichaam
Alleen cellen vlak naast de hormoonklier
Cellen met een passende hormoonreceptor
Alleen de cellen van de hormoonklier zelf
Alleen cellen met een passende receptor reageren. Verwachte fout: kiezen voor alle cellen, omdat het bloed overal langskomt. De receptor bepaalt wie reageert.
Vul in
Een endocriene klier geeft hormonen af aan het bloed, een exocriene klier heeft een afvoerbuis.
Endocrien is naar het bloed, exocrien via een afvoerbuis. Verwachte fout: de twee woorden omdraaien.
ZELFREGULATIE · HORMONEN
Hypothalamus en hypofyse
De hypothalamus is een deel van de hersenen en stuurt de hypofyse aan, die er vlak onder zit.
De hypofyse maakt hormonen die andere hormoonklieren aansturen.
Zo stuurt de hypofyse onder meer de schildklier, de bijnieren, de eierstokken en de teelballen aan.
Eierstokken maken geslachtshormonen zoals oestrogeen, teelballen maken testosteron.
De hypothalamus verbindt zo het zenuwstelsel met het hormoonstelsel.
Syllabus O2.2 specificatie 3: hypothalamus, hypofyse, eierstok, teelbal. De hypofyse heet vaak de meesterklier omdat hij andere klieren aanstuurt, maar de hypothalamus stuurt de hypofyse weer aan. De werking van de geslachtshormonen hoort bij het onderwerp seksualiteit en komt hier niet verder aan bod. Veelgemaakte fout: de hypofyse en de hypothalamus verwisselen, of denken dat de hypofyse zelf alle hormonen maakt die in het lichaam werken.
Hypothalamus, hypofyse en schildklier met negatieve terugkoppeling
ZELFREGULATIE · HORMONEN
Schildklier en schildklierhormoon
De schildklier zit in de hals en maakt schildklierhormoon.
Schildklierhormoon verhoogt de stofwisseling: cellen gebruiken meer energie en er komt meer warmte vrij.
Veel schildklierhormoon remt de hypothalamus en de hypofyse: een negatieve terugkoppeling.
Zo blijft de concentratie schildklierhormoon in het bloed vrijwel constant.
Syllabus O2.2 specificatie 3: schildklier, schildklierhormoon, hormoonconcentratie, negatieve terugkoppeling. In het schema staan de aansturing (zwarte pijlen) en de remming (rode pijlen). Een te hoge concentratie remt dus de aansturing, een te lage laat die toenemen. Veelgemaakte fout: denken dat veel schildklierhormoon de hypofyse juist meer laat afgeven. Image credit: Eigen figuur
Bungeejumpster tijdens de sprong
ZELFREGULATIE · HORMONEN
Bijnier en adrenaline
Elke bijnier zit boven op een nier en maakt onder meer adrenaline.
Bij schrik, spanning of zware inspanning komt er snel veel adrenaline in het bloed.
Adrenaline laat het hart sneller kloppen en de ademhaling versnellen.
De lever geeft meer glucose af en de spieren krijgen meer bloed: je lichaam is klaar voor actie.
Syllabus O2.2 specificatie 3: bijnier, adrenaline. Adrenaline werkt snel en kort. Het wordt afgegeven onder invloed van het zenuwstelsel, dat komt bij de les over neurale regulatie aan bod. Veelgemaakte fout: adrenaline met insuline verwarren, of denken dat de nier zelf adrenaline maakt: de bijnieren liggen alleen bovenop de nieren. Image credit: Poni Abraham / Wikimedia Commons, CC0
Zet de keten op volgorde, van aansturing tot effect
De hypothalamus stuurt de hypofyse aan, de hypofyse de schildklier, en het schildklierhormoon verhoogt de stofwisseling van de cellen. Verwachte fout: hypofyse en hypothalamus omdraaien.
Vul in
Bij schrik komt adrenaline uit de bijnier in het bloed, waardoor je hart sneller klopt.
Adrenaline komt uit de bijnier. Verwachte fout: schildklier kiezen omdat die ook een stofwisselingshormoon maakt.
Eilandje van Langerhans: blauw is insuline, rood is glucagon
ZELFREGULATIE · HORMONEN
Eilandjes van Langerhans
In de alvleesklier liggen groepjes hormoonklieren: de eilandjes van Langerhans.
De ene soort cellen maakt insuline, de andere soort maakt glucagon.
Beide hormonen regelen de glucoseconcentratie in het bloed.
Op de foto zijn de cellen met insuline blauw en de cellen met glucagon rood gekleurd.
Syllabus O2.2 specificatie 3: eilandje van Langerhans, insuline, glucagon. De eilandjes zijn het endocriene deel van de alvleesklier, de rest is exocrien. Laat de leerlingen de eilandjes op de foto aanwijzen. Veelgemaakte fout: denken dat de hele alvleesklier hormonen maakt. Image credit: Afferent / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Regeling van de glucoseconcentratie in het bloed
ZELFREGULATIE · HORMONEN
Insuline en glucagon
Na een maaltijd stijgt de glucoseconcentratie en geven de eilandjes insuline af.
Insuline zorgt dat cellen glucose opnemen en dat de lever glucose omzet in glycogeen.
Bij een lage glucoseconcentratie, bijvoorbeeld bij sporten, geven de eilandjes glucagon af.
Glucagon zorgt dat de lever glycogeen afbreekt tot glucose, dat in het bloed komt.
Syllabus O2.2 specificatie 3 en O2.1: glucoseconcentratie, insuline, glucagon. Beide ketens zijn een negatieve terugkoppeling: de afwijking wordt tegengewerkt. Insuline en glucagon hebben een tegengesteld effect. Bij zware inspanning werken ook adrenaline en glucagon mee om glucose vrij te maken. Veelgemaakte fout: insuline en glucagon omdraaien, of denken dat glucagon glucose opslaat. Image credit: Eigen figuur
Rode bloedcellen onder de elektronenmicroscoop
ZELFREGULATIE · HORMONEN
De nier en EPO
De nieren maken naast urine ook het hormoon EPO.
Bij een tekort aan zuurstof in het bloed maken de nieren meer EPO.
EPO zorgt dat het rode beenmerg meer rode bloedcellen maakt, zodat het bloed meer zuurstof vervoert.
Sporters misbruiken EPO als doping, en hoogtetraining laat het lichaam zelf meer EPO maken.
Syllabus O2.2 specificatie 3: nier, EPO. Het schema van de EPO-keten staat in de examentraining. Als er genoeg zuurstof is, maken de nieren weer minder EPO: negatieve terugkoppeling. Op de foto zijn rode bloedcellen te zien (ronde schijfjes met een deukje) en enkele witte bloedcellen. Veelgemaakte fout: denken dat het rode beenmerg of de lever EPO maakt. Image credit: Bruce Wetzel en Harry Schaefer (NCI) / Wikimedia Commons, publiek domein
Welk hormoon laat de lever glycogeen afbreken?
Glucagon
Insuline
Schildklierhormoon
EPO
Glucagon zorgt dat de lever glycogeen afbreekt tot glucose. Verwachte fout: insuline kiezen, omdat insuline over glucose gaat: insuline zorgt juist voor opslag als glycogeen.
Wat maakt de lever van glucose bij insuline?
Antwoord: glycogeen. Verwachte fout: glucagon of vet noemen.
Wat vond je vandaag het lastigst?
Klier, doelwitorgaan en hormoonreceptor
Terugkoppeling en hypothalamus-hypofyse
Schildklier en adrenaline
Insuline, glucagon en EPO
Bespreek het onderdeel met de meeste stemmen nog eens kort met het schema erbij.
Welk hormoon merk jij het meest, en wanneer?
Open reflectie. Goede antwoorden: adrenaline bij spanning of schrik, insuline na het eten, schildklierhormoon bij kou. Laat leerlingen zo de begrippen aan hun eigen leven koppelen.
ZELFREGULATIE · HORMONEN
Begrippen (1/2)
hormoon: Signaalstof die een hormoonklier aan het bloed afgeeft.
endocrien en exocrien: Endocrien: geen afvoerbuis, hormonen naar het bloed. Exocrien: wel een afvoerbuis.
doelwitorgaan en hormoonreceptor: Orgaan met cellen die een receptor hebben waar het hormoon op past.
negatieve terugkoppeling: De uitwerking remt de klier, zodat de waarde stabiel blijft.
positieve terugkoppeling: De uitwerking versterkt de afgifte, zodat de verandering steeds groter wordt.
This item has no instructions
ZELFREGULATIE · HORMONEN
Begrippen (2/2)
hypothalamus en hypofyse: Hersendeel en klier eronder die andere hormoonklieren aansturen.
schildklier: Maakt schildklierhormoon, dat de stofwisseling verhoogt.
bijnier: Maakt adrenaline, waardoor het lichaam klaar is voor actie.
eilandje van Langerhans: Hormoonklieren in de alvleesklier: insuline verlaagt, glucagon verhoogt de glucose.
EPO: Hormoon uit de nier dat het rode beenmerg meer rode bloedcellen laat maken.
This item has no instructions