LICHAAM · HORMOONSTELSEL
Hormoonstelsel
Examenstof biologie vmbo
LICHAAM · HORMOONSTELSEL
Hormoonstelsel
Examenstof biologie vmbo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: BI/K/11, specificatie 8 en 9 (BB, KB en GT). Image credit: Jeremy Thompson / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
LICHAAM · HORMOONSTELSEL
Wat ga je kunnen?
Ik kan de hormoonklieren aanwijzen op een tekening en beschrijven wat hun hormonen doen.
This item has no instructions
Wat gebeurt er in je lijf als je schrikt of als je lang niets hebt gegeten?
Verwacht: hartslag omhoog, zweten, honger, trillen, moe. Koppel de woorden aan de les: hormonen zorgen voor zulke veranderingen. Veelgemaakte fout: denken dat alleen je hersenen en zenuwen je lichaam sturen. Ook stoffen in je bloed doen dat.
LICHAAM · HORMOONSTELSEL
Wat is een hormoon?
Een hormoon is een stof die een klier maakt en afgeeft aan je bloed.
Een klier die hormonen maakt heet een hormoonklier.
Het bloed vervoert het hormoon door je hele lichaam.
Alleen de organen waarvoor het hormoon bedoeld is, reageren erop.
Syllabus BI/K/11, specificatie 8 (KB en GT): het principe van de werking van hormonen beschrijven. BB hoeft dit principe niet te kunnen beschrijven, maar hoort de klieren en functies wel te kennen. Een hormoon wordt in een klier gemaakt, gaat het bloed in en werkt op bepaalde organen. Veelgemaakte fout: denken dat hormonen via zenuwen reizen. Ze reizen met het bloed.
De hormoonklieren in het lichaam
LICHAAM · HORMOONSTELSEL
Hormoonklieren in je lichaam
Je hormoonklieren: hypofyse, schildklier, bijnieren, alvleesklier, eierstokken en teelballen.
De hypofyse zit vlak onder je hersenen, de schildklier in je hals.
De bijnieren zitten boven op je nieren, de alvleesklier ligt achter je maag.
Meisjes en vrouwen hebben eierstokken, jongens en mannen hebben teelballen.
Syllabus BI/K/11, specificatie 9: hormoonklieren noemen en in afbeeldingen aanwijzen. De tekening toont een neutraal lichaam met zowel eierstokken als teelballen, zodat alle klieren op een plaatje staan. In werkelijkheid heeft een lichaam er maar een soort. KB/GT: ook hypofyse en schildklier. Veelgemaakte fout: de bijnieren verwarren met de nieren. Het zijn kleine klieren bovenop de nieren. Image credit: Eigen tekening
LICHAAM · HORMOONSTELSEL
Wat doen hormonen?
Hormonen beïnvloeden je groei, je ontwikkeling en je stofwisseling.
Stofwisseling is alles wat er in je cellen gebeurt met stoffen en energie.
Hormonen werken langzamer dan zenuwen, want ze reizen met het bloed.
Hormonen werken ook langer: ze blijven een tijd in je bloed.
Syllabus BI/K/11, specificatie 8 (KB en GT): beïnvloeding van groei, ontwikkeling en stofwisseling. Zenuwen komen in een eigen les aan bod (zenuwstelsel en gedrag); hier alleen de vergelijking in snelheid. Veelgemaakte fout: denken dat hormonen net zo snel werken als een reflex.
Hoe komt een hormoon bij het orgaan waar het werkt?
Het gaat door de zenuwen naar het orgaan
Het wordt in de darmen opgenomen
Het gaat via de huid naar binnen
Het wordt met het bloed vervoerd
Hormonen worden met het bloed vervoerd. Verwachte fout: zenuwen kiezen, dat zijn prikkels en geen hormonen.
Vul in
Hormonen beïnvloeden je groei, je ontwikkeling en je stofwisseling in je hele lichaam.
Groei, ontwikkeling en stofwisseling. Verwachte fout: spijsvertering of ademhaling invullen, die worden niet in de eerste plaats door hormonen bepaald.
LICHAAM · HORMOONSTELSEL
De hypofyse
De hypofyse is een kleine klier vlak onder je hersenen.
De hypofyse maakt hormonen die je groei regelen.
De hypofyse maakt ook hormonen die andere hormoonklieren aansturen.
Daarom heet de hypofyse ook wel de baas van de hormoonklieren.
Syllabus BI/K/11, specificatie 9 (alleen KB en GT): hypofyse, productie van hormonen voor regeling van groei en beïnvloeding van andere hormoonklieren. Voor BB geldt deze dia niet. Veelgemaakte fout: de hypofyse als deel van de hersenen zien, of denken dat de hypofyse alleen groei regelt.
LICHAAM · HORMOONSTELSEL
De schildklier
De schildklier zit in je hals, vlak voor je luchtpijp.
Het hormoon van de schildklier stimuleert de verbranding in je cellen.
Bij verbranding komen energie en warmte vrij.
Zo bepaalt de schildklier mee hoeveel energie je cellen maken.
Syllabus BI/K/11, specificatie 9 (alleen KB en GT): schildklier, stimulering van verbranding in cellen. Voor BB geldt deze dia niet. Veelgemaakte fout: de schildklier verwarren met de keel of met de alvleesklier.
Een achtbaan: spanning en schrik
LICHAAM · HORMOONSTELSEL
Bijnieren en adrenaline
Je hebt twee bijnieren, een boven op elke nier.
Bij schrik of spanning maken ze het hormoon adrenaline.
Adrenaline laat je hart en je ademhaling versnellen en je spieren harder werken.
Je bloed krijgt meer glucose (suiker): je spieren krijgen extra energie.
Syllabus BI/K/11, specificatie 9: bijnieren, productie van het hormoon dat de activiteit van spieren, ademhaling en bloedsomloop versnelt en het glucosegehalte van het bloed verhoogt. De naam adrenaline hoort bij KB en GT; BB moet het hormoon en de werking kennen. De foto toont een achtbaan: bij zulke spanning komt adrenaline vrij. Veelgemaakte fout: denken dat de nieren adrenaline maken. Image credit: Jeremy Thompson / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
Welke klier stimuleert de verbranding in je cellen?
De bijnier
De schildklier
De alvleesklier
De eierstok
De schildklier. Verwachte fout: de bijnier kiezen, die versnelt vooral hart, ademhaling en spieren.
Vul in
Bij schrik maken je bijnieren het hormoon adrenaline. Daardoor gaat je hart sneller kloppen.
Bijnieren, adrenaline, sneller. Verwachte fout: insuline invullen, dat maken de eilandjes van Langerhans.
Hoe insuline en glucagon het suikergehalte regelen
LICHAAM · HORMOONSTELSEL
Insuline en glucagon
In je alvleesklier liggen de eilandjes van Langerhans. Zij maken hormonen.
Die hormonen regelen het suikergehalte in je bloed: insuline en glucagon.
Insuline verlaagt het suikergehalte: lever en cellen nemen suiker uit het bloed op.
Glucagon verhoogt het suikergehalte: de lever geeft suiker aan het bloed af.
Syllabus BI/K/11, specificatie 9: eilandjes van Langerhans, productie van hormonen die het suikergehalte regelen. De namen insuline en glucagon horen bij KB en GT; BB moet weten dat de eilandjes hormonen maken die het suikergehalte regelen. Op de tekening: links na een maaltijd, rechts na lang niet eten. Veelgemaakte fout: insuline en glucagon omdraaien. Insuline verlaagt, glucagon verhoogt. Image credit: Eigen tekening
Een insulinepen op een inspuitpoortje
LICHAAM · HORMOONSTELSEL
Diabetes
Bij diabetes werkt de regeling van het suikergehalte niet goed.
Het suikergehalte in het bloed wordt dan te hoog, bijvoorbeeld door te weinig insuline.
Mensen met diabetes meten hun bloedsuiker. Sommigen spuiten insuline.
Gezond eten en bewegen helpen mee.
Syllabus BI/K/11, specificatie 9 (alleen KB en GT): diabetes. Er zijn verschillende soorten diabetes; voor deze les gaat het om het principe: het suikergehalte blijft te hoog. De foto toont een insulinepen op een inspuitpoortje. Veelgemaakte fout: denken dat diabetes door te veel suiker eten alleen ontstaat of dat insuline een suikerstof is. Image credit: Marius Vassnes / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
LICHAAM · HORMOONSTELSEL
Eierstokken en teelballen
Meisjes en vrouwen hebben twee eierstokken, jongens en mannen hebben twee teelballen.
Eierstokken en teelballen maken geslachtshormonen.
In de puberteit zorgen geslachtshormonen voor secundaire geslachtskenmerken, zoals borstgroei, baardgroei en een lagere stem.
Eierstokken maken eicellen, teelballen maken zaadcellen: dat zijn geslachtscellen.
Syllabus BI/K/11, specificatie 9: eierstokken en teelballen, productie van geslachtshormoon voor het ontstaan van secundaire geslachtskenmerken, en productie van geslachtscellen (BB, KB en GT). Voortplanting en de bevruchting komen in de les Voortplanting van de mens aan bod. De namen oestrogeen en testosteron zijn niet nodig. Veelgemaakte fout: denken dat geslachtskenmerken pas na de geboorte door de eierstokken en teelballen worden bepaald; de secundaire kenmerken ontstaan in de puberteit.
Zet op volgorde: wat gebeurt er na een maaltijd?
Suiker stijgt, insuline wordt afgegeven, lever en cellen nemen suiker op, suiker daalt. Verwachte fout: glucagon erbij halen, dat hoort bij een laag suikergehalte.
Wat veroorzaken geslachtshormonen in de puberteit?
Secundaire geslachtskenmerken
Een snellere stofwisseling
Een hoger suikergehalte in je bloed
Meer adrenaline in je bloed
Geslachtshormonen zorgen voor secundaire geslachtskenmerken. Verwachte fout: stofwisseling kiezen, dat hoort bij de schildklier.
Wat vond je vandaag het lastigst?
Wat een hormoon is
Hypofyse, schildklier en bijnieren
Insuline, glucagon en diabetes
Eierstokken en teelballen
Gebruik de uitslag om het onderdeel nog eens met de tekening van de hormoonklieren door te nemen.
Welke hormoonklier wil jij nog beter leren kennen?
Geen vast goed antwoord. Laat leerlingen kort uitleggen waarom, en koppel dat aan de klier en het hormoon uit de les.
LICHAAM · HORMOONSTELSEL
Begrippen (1/2)
hormoon: Stof die een klier maakt en aan het bloed afgeeft.
hormoonklier: Klier die hormonen maakt, zoals de hypofyse of de schildklier.
hypofyse: Klier onder de hersenen: regelt de groei en stuurt andere klieren aan.
schildklier: Klier in de hals: stimuleert de verbranding in je cellen.
bijnier: Klier boven op de nier: maakt adrenaline.
This item has no instructions
LICHAAM · HORMOONSTELSEL
Begrippen (2/2)
adrenaline: Hormoon bij schrik: hart en ademhaling sneller, meer glucose in het bloed.
eilandjes van Langerhans: Groepjes cellen in de alvleesklier die insuline en glucagon maken.
insuline en glucagon: Insuline verlaagt het suikergehalte, glucagon verhoogt het.
diabetes: Het suikergehalte in het bloed wordt niet goed geregeld en is te hoog.
geslachtshormoon: Hormoon van eierstokken en teelballen: zorgt voor secundaire geslachtskenmerken.
This item has no instructions