Afweer (Biologie havo), les 1: Uitleg

AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS

Afweer

Examenstof biologie havo

1 / 22
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Uitleg over virussen en bacteriën, de eerste barrière, aangeboren afweer met macrofagen en mestcellen, antigeen, antistof en receptor, de verworven afweer met T-cellen, B-cellen, plasmacellen en geheugencellen, immuniteit en vaccinatie, transplantatie, het AB0-systeem en de resusfactor. Met een woordweb, zes controlevragen, een poll en een open vraag. Bloedcellen en lymfe staan ook in de les Bloedsomloop.

Items in this lesson

AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS

Afweer

Examenstof biologie havo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: O3.1 (B5.1), specificatie 1 t/m 5. Image credit: NIAID / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS

Wat ga je kunnen?

Ik kan uitleggen hoe je afweer ziekteverwekkers aanpakt en wat dat betekent bij vaccinatie, transplantatie en bloedtransfusie.

This item has no instructions

Waar denk je aan bij het woord afweer?

Verwacht: ziek worden, griep, vaccin, witte bloedcellen, koorts, antibiotica, bloedgroep. Koppel de woorden aan de les: aangeboren afweer, verworven afweer, antigeen, antistof, immuniteit. Veelgemaakte misvatting: afweer is hetzelfde als antibiotica. Antibiotica zijn medicijnen tegen bacteriën, afweer is wat je lichaam zelf doet. Bloedcellen, beenmerg en lymfe zijn al behandeld in de les Bloedsomloop.

E. coli-bacteriën onder de elektronenmicroscoop (kleuren zijn toegevoegd)

AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS

Virus of bacterie?

  • Een bacterie is een eencellig organisme zonder celkern en kan zich zelf delen.

  • Een virus is geen cel en vermenigvuldigt zich alleen in een gastheercel.

  • Een antibioticum remt de groei van bacteriën of doodt ze; tegen een virus werkt het niet.

  • Door een toevallige mutatie kan een bacterie resistent worden: hij overleeft het antibioticum.

Syllabus O3.1 punt 5: virus, bacterie, antibioticum, resistentie. De bouw van prokaryoot en virus staat in de les Cel, bouw en transport, mutatie in de les DNA, mutatie en variatie. Een resistente bacterie deelt zich verder terwijl de gevoelige bacteriën worden gedood; zo neemt het aandeel resistente bacteriën toe. Veelgemaakte fout: denken dat jij resistent wordt tegen antibiotica. De bacterie wordt resistent, niet de patiënt. Image credit: NIAID / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

Macrofaag onder de elektronenmicroscoop (kleuren zijn toegevoegd)

AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS

Eerste barrière en aangeboren afweer

  • Huid en slijmvliezen houden ziekteverwekkers buiten; slijm in de luchtwegen vangt ze op.

  • De aangeboren afweer (niet-specifieke afweer) reageert snel en op elke ziekteverwekker hetzelfde.

  • Een macrofaag is een witte bloedcel die ziekteverwekkers opneemt en afbreekt.

  • De aangeboren afweer onthoudt niets: elke besmetting krijgt dezelfde reactie.

Syllabus O3.1 punt 1 en 2: huid, slijmvliezen, macrofagen, aangeboren afweer. Ook tranen, speeksel en maagzuur horen bij de eerste barrière. De kleuren op de foto zijn later toegevoegd. Veelgemaakte fout: denken dat een macrofaag antistoffen maakt. Dat doet een plasmacel. Image credit: NIAID / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS

Ontsteking: de mestcel

  • Bij een wond komen bacteriën binnen. Mestcellen in het weefsel geven dan histamine af.

  • Histamine maakt de bloedvaten wijder en doorlaatbaarder: de plek wordt rood, warm en dik (ontsteking).

  • Witte bloedcellen verlaten de haarvaten en gaan naar de plek; macrofagen ruimen de bacteriën op.

  • Mestcellen geven ook histamine af bij een allergie: je afweer reageert dan op een onschadelijke stof, een allergeen.

Syllabus O3.1 punt 1 en 2: mestcel; de eindterm noemt ook allergenen. Een allergeen is bijvoorbeeld pollen of stof van huisdieren. Veelgemaakte fout: denken dat een ontsteking een fout van het lichaam is. Het is een nuttige reactie die witte bloedcellen naar de plek brengt.

Welke cel neemt een bacterie op en breekt hem af?

A

Mestcel

B

Macrofaag

C

Plasmacel

D

Cytotoxische T-cel

Macrofagen nemen ziekteverwekkers op en breken ze af. Verwachte fout: mestcel kiezen, die geeft histamine af maar eet niets op.

Vul in

Bij een ontsteking geven mestcellen de stof histamine af, waardoor de bloedvaten wijder worden.

mestcellen
histamine
wijder
macrofagen
antistof
nauwer

Mestcellen geven histamine af, de bloedvaten worden wijder en doorlaatbaarder. Verwachte fout: macrofagen invullen.

AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS

Antigeen, receptor en antistof

  • Een antigeen is een lichaamsvreemde stof, meestal een eiwit, op een ziekteverwekker die afweer uitlokt.

  • Je afweer laat lichaamseigen stoffen en cellen met rust en pakt lichaamsvreemde stoffen en cellen aan.

  • Een receptor op een afweercel past bij één bepaald antigeen, als een sleutel in een slot.

  • Een antistof is een eiwit dat aan één bepaald antigeen bindt en de ziekteverwekker onschadelijk maakt.

Syllabus O3.1 punt 2, 3 en 4: antigeen, antistof, receptor, lichaamseigen, lichaamsvreemd. Antigenen zitten bijvoorbeeld op het oppervlak van een bacterie of virus, maar ook op donorweefsel en rode bloedcellen van een ander. Veelgemaakte fout: antigeen en antistof door elkaar halen. Het antigeen zit op de ziekteverwekker, de antistof maakt het lichaam.

De stappen van de verworven afweer (schema)

AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS

Verworven afweer in stappen

  • Een macrofaag neemt een ziekteverwekker op en toont het antigeen aan een T-helpercel.

  • De T-helpercel met de passende receptor wordt actief en stimuleert B-cellen en cytotoxische T-cellen.

  • Een B-cel deelt zich tot plasmacellen, die antistoffen maken, en tot geheugencellen.

  • Een cytotoxische T-cel doodt lichaamscellen die door een virus zijn geïnfecteerd.

Syllabus O3.1 punt 1 en 3: T-helpercel, B-cel, plasmacel, geheugencel, cytotoxische T-cel, verworven (specifieke) afweer. Loop het schema stap voor stap door; elke afweercel reageert alleen op het antigeen dat bij zijn receptor past. Veelgemaakte fout: denken dat de T-helpercel zelf antistoffen maakt of ziekteverwekkers doodt. Hij stuurt de andere cellen aan. Image credit: Eigen schema voor deze les

Doorsnede van een lymfeknoop onder de microscoop

AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS

Lymfeknoop, beenmerg en geheugen

  • Bij een besmetting delen B-cellen en T-cellen zich in de lymfeknopen; die zwellen daardoor op.

  • Antistoffen komen via de lymfe en het bloed bij de ziekteverwekker.

  • Geheugencellen blijven lang in het lichaam; bij een tweede besmetting reageren ze sneller en sterker.

  • Het beenmerg maakt alle bloedcellen, dus ook alle soorten witte bloedcellen.

Syllabus O3.1 punt 1 en 3: lymfeknoop, beenmerg, geheugencel, lymfe, bloed. Bloedcellen, beenmerg en lymfe zijn ook behandeld in de les Bloedsomloop. Dit is waarom je bij een keelontsteking gezwollen klieren in je hals voelt. Veelgemaakte fout: denken dat de eerste ziekte altijd even lang duurt als de tweede. Door geheugencellen verloopt de tweede keer sneller en vaak zonder klachten. Image credit: Ed Uthman / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0

Zet op volgorde: de verworven afweer

1

T-helpercel wordt actief

2

Macrofaag toont het antigeen

3

Plasmacel maakt antistoffen

4

B-cel wordt gestimuleerd

Volgorde zoals in het schema. Verwachte fout: de B-cel voor de T-helpercel zetten.

Waarom reageert je afweer bij een tweede besmetting sneller?

A

De T-helpercellen maken zelf antistoffen

B

Mestcellen maken meer histamine aan

C

De huid werkt na de eerste keer beter

D

Er zijn geheugencellen van de eerste besmetting

Geheugencellen herkennen het antigeen en reageren sneller en sterker. Verwachte fout: de aangeboren afweer als verklaring kiezen; die heeft geen geheugen.

Natuurlijke en kunstmatige, actieve en passieve immuniteit (schema)

AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS

Vormen van immuniteit

  • Bij actieve immuniteit maak je zelf antistoffen en geheugencellen; de bescherming blijft lang.

  • Bij passieve immuniteit krijg je antistoffen van buiten; dat werkt direct, maar tijdelijk.

  • Natuurlijk gebeurt vanzelf (een infectie, of antistoffen van je moeder via placenta of moedermelk), kunstmatig via een medische handeling.

  • Vaccinatie is kunstmatige actieve immuniteit: je krijgt een verzwakte of dode ziekteverwekker of een deel ervan.

Syllabus O3.1 punt 2: natuurlijke, kunstmatige, actieve en passieve immuniteit, vaccinatie. Bij passieve immuniteit maakt het lichaam geen geheugencellen, daarom is de bescherming tijdelijk. Veelgemaakte fout: denken dat een vaccin antistoffen toedient. Een vaccin bevat antigenen; jij maakt zelf de antistoffen en geheugencellen. Image credit: Eigen schema voor deze les

Antigenen en antistoffen bij de bloedgroepen A, B, AB en O (schema)

AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS

Transplantatie en het AB0-systeem

  • Bij een transplantatie krijgt een acceptor een orgaan van een donor.

  • De afweer ziet het donororgaan als lichaamsvreemd en kan het afstoten; afweerremmers voorkomen dat.

  • Rode bloedcellen hebben antigeen A, B, A en B, of geen: het AB0-systeem.

  • In het plasma zitten antistoffen tegen de antigenen die je zelf niet hebt; bij een verkeerde transfusie klonteren rode bloedcellen samen.

Syllabus O3.1 punt 2 en 4: transplantatie, bloedtransfusie, AB0-systeem, donor, acceptor, lichaamsvreemd. Bij bloedtransfusie geef je vooral rode bloedcellen. Rode cellen van bloedgroep O hebben geen antigenen, dus een acceptor heeft er geen antistoffen tegen. De overerving van de bloedgroepen (multipele allelen) staat in de les Erfelijkheid en kruisingen. Veelgemaakte fout: antigenen en antistoffen verwisselen. Bloedgroep A heeft antigeen A en antistof anti-B. Image credit: Eigen schema voor deze les

Resusfactor en zwangerschap (schema)

AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS

Resusfactor

  • Rode bloedcellen kunnen het antigeen resusfactor hebben: dan ben je Rh+; zonder dit antigeen ben je Rh-.

  • Een Rh- acceptor krijgt bij voorkeur Rh- bloed, anders maakt de acceptor antistoffen tegen de resusfactor.

  • Een Rh- moeder kan na de bevalling van een Rh+ kind antistoffen en geheugencellen maken tegen de resusfactor.

  • Een volgend Rh+ kind loopt gevaar; daarom krijgt de moeder na de bevalling anti-resusantistoffen.

Syllabus O3.1 punt 2 en 4: resusfactor, antigeen, antistof, geheugencel. Een Rh- persoon heeft van nature geen antistoffen tegen de resusfactor; die ontstaan pas na contact met Rh+ bloed. Het eerste kind loopt meestal geen gevaar, een volgend Rh+ kind wel. De injectie met anti-resusantistoffen is passieve immunisatie en voorkomt dat de moeder zelf antistoffen en geheugencellen maakt. Veelgemaakte fout: denken dat het eerste kind al ziek wordt. Image credit: Eigen schema voor deze les

Een baby krijgt antistoffen via de moedermelk. Welke immuniteit is dit?

A

Natuurlijke actieve immuniteit

B

Kunstmatige actieve immuniteit

C

Kunstmatige passieve immuniteit

D

Natuurlijke passieve immuniteit

De antistoffen komen van de moeder (passief) en zonder medische handeling (natuurlijk). Verwachte fout: actief kiezen omdat er antistoffen in het lichaam zijn.

Vul in

Bij een transplantatie krijgt de acceptor een orgaan van een donor; de afweer van de acceptor ziet dat orgaan als lichaamsvreemd en kan het afstoten.

acceptor
donor
lichaamsvreemd
lichaamseigen
resistent
passief

Acceptor en donor niet verwisselen. Verwachte fout: lichaamseigen invullen.

Wat vond je vandaag het lastigst?

1

Aangeboren en verworven afweer

2

Antigeen, antistof en receptor

3

Immuniteit en vaccinatie

4

AB0-systeem en resusfactor

Gebruik de uitslag om te bepalen welk onderdeel je met het schema nog eens doorloopt.

Welk begrip uit deze les moet je nog oefenen?

Persoonlijke reflectie; er is geen goed of fout antwoord. Laat leerlingen het begrip in een eigen zin uitleggen.

AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS

Begrippen (1/2)

  • aangeboren afweer: Snelle, niet-specifieke afweer: huid, slijmvliezen, macrofagen en mestcellen.

  • macrofaag en mestcel: Macrofaag neemt ziekteverwekkers op; mestcel geeft histamine af bij een ontsteking.

  • antigeen, antistof, receptor: Lichaamsvreemde stof die afweer uitlokt; eiwit en receptor die bij één antigeen passen.

  • verworven afweer: Specifieke afweer met T-helpercellen, cytotoxische T-cellen, B-cellen en plasmacellen.

  • plasmacel en geheugencel: Plasmacel maakt antistoffen; geheugencel zorgt voor een snelle tweede reactie.

This item has no instructions

AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS

Begrippen (2/2)

  • lymfeknoop en beenmerg: Lymfeknoop: hier delen afweercellen zich; beenmerg maakt alle bloedcellen.

  • immuniteit en vaccinatie: Actief of passief, natuurlijk of kunstmatig; vaccinatie is kunstmatig actief.

  • donor en acceptor: Donor geeft een orgaan of bloed; acceptor krijgt het.

  • AB0-systeem en resusfactor: Antigenen op rode bloedcellen die bepalen welk bloed een acceptor mag krijgen.

  • antibioticum en resistentie: Middel tegen bacteriën; een resistente bacterie overleeft het middel.

This item has no instructions