5V Beco Inv. H2

1.3
Op basis van terugverdientijd gaan we voor ...(1)
Op basis van NCW gaan we voor ...(2)
A
1> Doos 2> Doos
B
1> Doos 2> Dooske
C
1> Dooske 2> Doos
D
1> Dooske 2> Dooske
1 / 24
next
Slide 1: Quiz
BedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

1.3
Op basis van terugverdientijd gaan we voor ...(1)
Op basis van NCW gaan we voor ...(2)
A
1> Doos 2> Doos
B
1> Doos 2> Dooske
C
1> Dooske 2> Doos
D
1> Dooske 2> Dooske

Slide 1 - Quiz

1.3
De NCW van Doos is € 1.895.393,50
A
Juist
B
Onjuist

Slide 2 - Quiz

5V Beco Inv. H2
Leerdoelen:
- Je begrijpt hoe je de waarde van een bedrijf kunt vaststellen.
- Je kunt de intrinsieke waarde, rentabiliteitswaarde, discounted cashflow en liquidatiewaarde berekenen

Slide 3 - Slide

Intrinsieke waarde
Intrinsieke waarde = waarde Eigen Vermogen
                                         = waarde activa - schulden
Intrinsieke waarde = Geplaatst Ak + Reserves + Onverdeelde winst

Intrinsieke waarde per aandeel = 
Geplaatst Ak + Reserves + Onverdeelde winst
---------------------------------------------------
Aantal geplaatste aandelen

Slide 4 - Slide

Due-diligence onderzoek
Balans geeft niet altijd een reeel beeld:
- De actuele waarde van de activa kan afwijken van de balanswaarde
- Zijn alle producten in de voorraad nog verkoopbaar en tegen welke prijs?
- Zijn er dubieuze debiteuren?
- Is de rente op de leningen hoger of lager dan de marktrente?

Slide 5 - Slide

Liquidatiewaarde
Bijv. gedwongen verkoop bij naderend faillissement

Liquidatie waarde =

Verkoopwaarde bezittingen - schulden - waarde verplichtingen

Slide 6 - Slide

Due-diligence onderzoek
Kan grote rol spelen bij liquidatiewaarde:
- De actuele waarde van de activa kan afwijken van de balanswaarde
- Zijn de producten in de voorraad nog verkoopbaar of niet meer gewild?
- Zijn de producten in voorraad nog verkoopbaar of alleen tegen hele lage prijzen in opheffingsuitverkoop?

Slide 7 - Slide

Kapperszaak: Totale bezittingen € 400.000,-. Totale schulden € 250.000,-. Nettowinst 2019 € 40.000,-
Hoeveel zou je er voor over hebben om deze zaak over te nemen?
A
€ 150.000,-
B
€ 170.000,-
C
€ 190.000,-
D
€ 210.000,-

Slide 8 - Quiz

Rentabiliteitswaarde
Waarde bedrijf gebaseerd op Resultatenrekening

- gebaseerd op genormaliseerde winst ( incidentele zaken worden eruit gefilterd )

- Bij ez en vof gebaseerd op winst - ondernemersloon

Slide 9 - Slide

Rentabiliteitswaarde
Minimaal te behalen rendement

Afhankelijk van risico bedrijf. Hoe hoger het risico, hoe hoger de rendementseis.

Vaak tussen de 12% en 20%

Slide 10 - Slide

Rentabiliteitswaarde
Rentabiliteiswaarde =

Genormaliseerde winst
----------------------------
Rekengetal rendementseis

Bijv. opgave 2.2.1:        450.000 / 0,15 = € 3.000.000,-

Slide 11 - Slide

Opgave 2.4

Slide 12 - Slide

Opgave 2.4
A
200.000
B
466.667

Slide 13 - Quiz

Hw.
Opgave 2.1

Slide 14 - Slide

Rentabiliteitswaarde
Nadelen:
- kijkt naar het verleden via de genormaliseerde winst
( is geen garantie voor de toekomst )
- houdt geen rekening met financieringsverhouding tussen EV en VV
( EV heeft een andere rendementseis dan VV )

Slide 15 - Slide

Discounted Cashflowmethode
- Kijkt niet naar het verleden, maar naar toekomstige vrije kasstromen
Vrije kasstroom = Bedrijfsresultaat - Belasting + Afschrijvingen - Investeringen

- Gebruikt een gewogen gemiddelde van de kostenvoet ( rendementseis ) van het EV en het VV

Slide 16 - Slide

De kostenvoet van het VV is meestal ...(1), omdat VV ...(2) risicovol is. Verschaffers van VV ontvangen een ...(3) rentevergoeding en krijgen bij een mogelijk faillissement ...(4) hun geld terug
A
1 lager, 2 minder 3 vaste, 4 eerder
B
1 lager, 2 minder 3 flexibele, 4 later
C
1 hoger, 2 meer 3 vaste, 4 eerder
D
1 hoger, 2 meer 3 flexibele, 4 later

Slide 17 - Quiz

Discounted Cashflowmethode

wacc = Kev x EV/TV + Kvv x (1-b) x VV/TV

Maken opgave 2.5.1

Slide 18 - Slide

Discounted Cashflowmethode

wacc = Kev x EV/TV + Kvv x (1-b) x VV/TV

Maken opgave 2.5.1

wacc = 15% x ( 2.800.000 / 3.450.000 ) +                                                
4% x ( 1 - 0,20 ) x ( 650.000 / 3.450.000 ) = 12,8%

Slide 19 - Slide

Voorbeeld
Stel dat een onderneming voor 3/4 is gefinancierd met EV en voor 1/4 met VV. En dat de rendementseis voor het EV 10% is en voor het VV 5%

wacc = 10% x 3/4 + 5% x ( 1-0,20 ) x 1/4 = 8,5%


Slide 20 - Slide

Voorbeeld
Stel dat dezelfde onderneming voor 1/4 is gefinancierd met EV en voor 3/4 met VV. De wacc is weer 8,5% en het rendement op VV is nog steeds 5%. Wat zou het rendement op EV dan zijn?

wacc = Kev x EV/TV + Kvv x (1-b) x VV/TV

Slide 21 - Slide

Voorbeeld
Stel dat dezelfde onderneming voor 1/4 is gefinancierd met EV en voor 3/4 met VV. De wacc is weer 8,5% en het rendement op VV is nog steeds 5%. Wat zou het rendement op EV dan zijn?
? x 1/4 + 5% x ( 1-0,20 ) x 3/4 = 8,5%
? x 1/4 + 3% = 8,5%
? x 1/4 = 5,5%
? = 22%

Slide 22 - Slide

Hefboomeffect
Een bedrijf dat is gefinancierd met relatief veel goedkoop Vreemd Vermogen heeft een groot hefboomeffect.

Rentabiliteit Eigen Vermogen is dan hoger dan normaal en een (aandeel van een) bedrijf zal hierdoor meer waard zijn.

Slide 23 - Slide

Hw.
Opgave 2.5

Slide 24 - Slide