3.3 Isoleren

Energievormen
  • Chemische energie; in brandstof of bijv. batterij/accu

  • Bewegingsenergie;  een vorm van energie die een bewegend lichaam heeft
  • Zwaarte-energie; voorwerpen op hoogte worden aangetrokken door de zwaartekracht
  • Stralingsenergie; energie van de zon of lamp
  • Kernenergie; in kerncentrales om energie op te wekken
Ze worden omgezet in elektrische energie wat wij gebruiken.

1 / 38
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes, text slides and 7 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Energievormen
  • Chemische energie; in brandstof of bijv. batterij/accu

  • Bewegingsenergie;  een vorm van energie die een bewegend lichaam heeft
  • Zwaarte-energie; voorwerpen op hoogte worden aangetrokken door de zwaartekracht
  • Stralingsenergie; energie van de zon of lamp
  • Kernenergie; in kerncentrales om energie op te wekken
Ze worden omgezet in elektrische energie wat wij gebruiken.

Slide 1 - Slide

Elektrische warmte bronnen

Slide 2 - Slide

Chemische warmtebronnen

Slide 3 - Slide

Energie berekenen
                                                    E = P x t
E = energieverbruik in Joule (J)
Geproduceerde hoeveelheid warmte
P = vermogen in Watt (W);
Het vermogen geeft aan hoeveel energie er per seconde       wordt omgezet.
t = tijd in seconden (s)

Slide 4 - Slide

Rekenen met (soortelijke) warmte

Formule :   Q = c x m x ΔT
Q = warmte in Joule (J)
c = soortelijke warmte (J/g.oC)
m = massa in gram (g)
ΔT= temperatuurstijging: = Teind - Tbegin (oC)

Slide 5 - Slide

Werk hier vraag 2 uit van de proef.

Slide 6 - Open question

Werk hier vraag 3 uit van proef 1.

Slide 7 - Open question

c = SOORTELIJKE WARMTE

Slide 8 - Slide

Aan de slag
Lezen paragraaf 3.3
Maken opgave 1 ,2
timer
7:00

Slide 9 - Slide

H3.3 Isoleren

Slide 10 - Slide

Wat is de eenheid van soortelijke warmte?
A
Joule (J)
B
Joule per gram (J/g)
C
Joule per graad Celsius (J/°C)
D
Joule per gram * graad Celsius (J/g*°C)

Slide 11 - Quiz

Waar of niet waar:
een stof met een hoge soortelijke warmte wordt makkelijk warm (er is weinig energie voor nodig)
A
waar
B
niet waar

Slide 12 - Quiz

18a. Grafieken van temp.stijging tegen opgenomen warmte Q.
De kleinste soortelijke warmte heeft stof
A
A
B
B

Slide 13 - Quiz

Stof A heeft een soortelijke warmte van 1,65 𝐉/(𝐠 ℃) en stof B een soortelijke warmte van 3,9 𝐉/(𝐠 ℃).
We verwarmen van beide stoffen 200 g van 15℃ naar 45℃. Voor welke stof is er meer warmte nodig om dit te doen?

A
Stof A
B
Stof B
C
Beide evenveel

Slide 14 - Quiz

Je verwarmt 100 g aceton van 20 °C tot 75 °C.
De soortelijke warmte van aceton is 2,2 J/(g °C).

Met welke uitwerking bereken je de toegevoerde warmte?
A
B
C
D

Slide 15 - Quiz

Een bekerglas met 100 gram water van 90 *C koelt af tot 60 *C. De soortelijke warmte van het water is 4,2 J/g*C. Bij het afkoelen verliest het water aan warmte:
A
5 J
B
30 J
C
3000 J
D
12 600 J

Slide 16 - Quiz

De soortelijke warmte van alcohol is 2,4 J/g*C. Bereken tot welke temperatuur je 200 gram alcohol van 15 *C kunt verwarmen met een hoeveelheid warmte van 14 400 J
A
45 *C
B
30 *C
C
48 *C
D
20 *C

Slide 17 - Quiz

3.3 Isoleren
Leerdoelen
3.3.1 Je kunt uitleggen op welke manieren een huis warmte verliest.
3.3.2 Je kunt uitleggen hoe je het warmteverlies in een huis kunt verkleinen.
3.3.3 Je kunt manieren van isolatie van een gebouw benoemen.
(3.3.4 Je kunt berekeningen over isolatie van gebouwen maken.)

Slide 18 - Slide

Thermogram
Een foto waar je aan de hand 
van de kleuren het warmeverlies 
kan zien. Handig bij de
 isolatie van een huis.


Slide 19 - Slide

Vormen van warmtetransport
Er zijn drie vormen van warmtetransport; stroming, straling en geleiding. Voor stroming en geleiding is een stof nodig, maar voor straling niet.

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Video

Slide 22 - Video

Aan de slag
Lezen paragraaf 3.3
Maken opgave 1 t/m 8

Slide 23 - Slide

Thermogram
Een foto waar je aan de hand 
van de kleuren het warmeverlies 
kan zien. Handig bij de
 isolatie van een huis.


Slide 24 - Slide

Vormen van warmtetransport
Er zijn drie vormen van warmtetransport; stroming, straling en geleiding. Voor stroming en geleiding is een stof nodig, maar voor straling niet.

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Video

H3.3 Isoleren

Slide 27 - Slide

Welk soort warmtetransport vindt er plaats?
Stroming
Straling
Geleiding

Slide 28 - Drag question

Slide 29 - Video

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Video

Slide 32 - Video

Slide 33 - Video

Belang lesdoelen
Je krijgt zelf te maken met een overstap naar een woning zonder gas.
Betere isolatie is goed voor het milieu en meestal je beurs.

Slide 34 - Slide

Aan de slag
Lezen paragraaf 3.3
Maken opgave 1 t/m 8

Slide 35 - Slide

Voorkennis
Als je een huis isoleert, verminder je het verbruik van energie. De isolatie van muren, daken en ramen zorgt ervoor dat minder warmte uit het gebouw ontsnapt. Dat is goed voor je portemonnee en het helpt bij het bereiken van de doelen van de energietransitie.

Slide 36 - Slide

Een waterkoker heeft een vermogen van 1,5 kW. Bereken hoeveel warmte deze afgeeft als hij 2,0 minuten aanstaat.

Slide 37 - Open question

Hoeveel energie heb je nodig om 20 g water te laten koken wat een begintemperatuur heeft van 23 graden Celsius en een soortelijke warmte van 4,2 J/(g.oC)

Slide 38 - Open question