Rekenregels met de ezelsbrug
Rekenregels met de ezelsbrug
Open met het idee dat veel fouten niet komen door lastig rekenen, maar door de verkeerde volgorde van bewerkingen. Verbind dit met de wens om van onvoldoendes af te komen.
Lesdoel
Ik kan de rekenregels met de ezelsbrug gebruiken om sommen met 3 of 4 getallen, met en zonder haakjes, goed uit te rekenen.
This item has no instructions
Waarvoor denk jij dat rekenen voor jou belangrijk is
Gebruik de reacties om voorkennis op te halen, zoals: haakjes, volgorde, keer, delen, rustig werken, fouten voorkomen.
Waarom gaat het soms fout?
Niet de som is fout, maar de volgorde
Eerst zomaar van links naar rechts rekenen geeft vaak fouten
Met een vaste regel werk je rustiger en zekerder
Benadruk dat leerlingen fouten mogen maken, maar dat een duidelijke aanpak helpt om minder onvoldoendes te halen.
De ezelsbrug
Haakjes
Machten
Delen en Vermenigvuldigen
Optellen en Aftrekken
Werk altijd in deze volgorde.
Noem dat delen en vermenigvuldigen even belangrijk zijn. Je werkt die daarom van links naar rechts af. Dat geldt ook voor optellen en aftrekken.
Belangrijke afspraak
Bij delen en vermenigvuldigen kies je niet eerst wat je leuker vindt.
Je rekent van links naar rechts.
Bij optellen en aftrekken doe je dat ook.
Veel leerlingen denken dat vermenigvuldigen altijd vóór delen komt. Corrigeer dat hier expliciet.
Van fout naar goed
Voorbeeld: `8 + 4 × 2`
Fout: `(8 + 4) × 2 = 24`
Goed: `8 + (4 × 2) = 16`
De ezelsbrug helpt je dus om de juiste stap eerst te zetten.
Laat leerlingen hardop zeggen welke bewerking eerst moet. De kern is niet snelheid maar volgorde herkennen.
Sommen met 3 getallen
`6 + 3 × 4 = 18`
`20 - 8 ÷ 2 = 16`
`5 × 2 + 7 = 17`
`18 ÷ 3 + 9 = 15`
`14 - 2 × 5 = 4`
Werk deze sommen stap voor stap na. Leg steeds uit waarom een bepaalde bewerking eerst komt.
Aanpak bij 3 getallen
Kijk eerst of er haakjes zijn
Zoek daarna delen of vermenigvuldigen
Reken pas daarna optellen of aftrekken
Schrijf tussenstappen netjes op
Deze slide vat de routine samen die leerlingen bij elke som moeten volgen.
Welke stap doe je eerst bij 8 + 4 × 2?
8 + 4
4 × 2
8 × 2
4 + 2
Controleert of leerlingen de kernregel begrijpen: vermenigvuldigen gaat vóór optellen.
Vul de juiste woorden in
Bij sommen met 3 getallen kijk je eerst naar haakjes. Daarna zoek je delen of vermenigvuldigen. Pas daarna doe je optellen of aftrekken. Zo werk je netjes in volgorde en maak je minder fouten.
Sluit aan bij de aanpakslide: eerst haakjes, dan delen/vermenigvuldigen, daarna optellen/aftrekken.
Sommen met 4 getallen
`6 + 3 × 4 - 2 = 16`
`20 - 8 ÷ 2 + 5 = 21`
`5 × 2 + 7 - 4 = 13`
`18 ÷ 3 + 9 - 1 = 14`
`14 - 2 × 5 + 6 = 10`
Let erop dat leerlingen niet te vroeg gaan optellen of aftrekken. Laat steeds eerst de vermenigvuldiging of deling afmaken.
Meer stappen, zelfde regel
Ook bij 4 getallen blijft de volgorde hetzelfde
Meer getallen betekent alleen meer tussenstappen
Netjes werken voorkomt slordige fouten
This item has no instructions
Wat reken je eerst uit bij 20 - 8 ÷ 2 + 5?
20 - 8
2 + 5
8 ÷ 2
20 + 5
Toetst of leerlingen bij 4 getallen nog steeds eerst de deling zien.
Wat helpt jou het meest bij sommen met 4 getallen?
Tussenstappen
Rustig lezen
Links naar rechts
Hardop denken
This item has no instructions
Wat doen haakjes?
Haakjes geven aan welk deel van de som eerst moet.
Daardoor kan dezelfde soort som een andere uitkomst krijgen.
Voorbeeld:
`6 + 3 × 4 = 18`
`(6 + 3) × 4 = 36`
Dit is een belangrijk inzicht: haakjes veranderen de volgorde en dus vaak ook de uitkomst.
Sommen met 3 getallen en haakjes
`(6 + 3) × 4 = 36`
`20 - (8 ÷ 2) = 16`
`5 × (2 + 7) = 45`
`(18 ÷ 3) + 9 = 15`
`14 - (2 × 5) = 4`
Wijs erop dat haakjes eerst komen, ook als er buiten de haakjes een vermenigvuldiging staat.
Waarom is (6 + 3) × 4 niet hetzelfde als 6 + 3 × 4?
Door de haakjes
Door meer getallen
Door aftrekken
Door links rekenen
De juiste gedachte is dat haakjes de volgorde veranderen en dus vaak ook de uitkomst.
Vul de juiste woorden in
Haakjes geven aan welk deel van de som eerst moet. Daarna kijk je opnieuw naar de som. Dan gebruik je weer de ezelsbrug zodat je de juiste uitkomst krijgt.
Herhaalt de functie van haakjes en de aanpak na het uitrekenen van de haakjes.
Sommen met 4 getallen en haakjes
`(6 + 3) × 4 - 2 = 34`
`20 - (8 ÷ 2) + 5 = 21`
`5 × (2 + 7) - 4 = 41`
`(18 ÷ 3) + 9 - 1 = 14`
`14 - (2 × 5) + 6 = 10`
Laat leerlingen eerst de haakjes uitrekenen en daarna opnieuw kijken welke bewerking overblijft.
Slim werken bij haakjes
Stap 1: reken de haakjes uit
Stap 2: kijk opnieuw naar de som
Stap 3: gebruik weer de ezelsbrug
Zo houd je overzicht en maak je minder fouten
Benadruk dat na het wegwerken van haakjes de gewone rekenvolgorde opnieuw geldt.
Wat doe je na het uitrekenen van haakjes?
Som stoppen
Opnieuw kijken
Altijd optellen
Altijd delen
Gebaseerd op de slide 'Slim werken bij haakjes': na de haakjes kijk je opnieuw en gebruik je weer de ezelsbrug.
Wat hielp jou vandaag het meest bij deze sommen?
Laat leerlingen benoemen wat hen hielp, bijvoorbeeld: haakjes eerst, links naar rechts, tussenstappen opschrijven, rustig kijken naar de volgorde.
Welk onderdeel vond jij nog lastig?
Mogelijke antwoorden: sommen met 4 getallen, haakjes, links naar rechts werken, delen en vermenigvuldigen herkennen.
Woordenlijst
ezelsbrug - een handig geheugensteuntje
rekenregels - afspraken over de volgorde van rekenen
haakjes - deel van de som dat eerst wordt uitgerekend
vermenigvuldigen - keer doen
delen - verdelen in gelijke stukken
tussenstap - stap die je opschrijft voordat je verder rekent
uitkomst - het antwoord van de som
This item has no instructions