Koppelwerkwoord (zww en hww) Les 1 week 40 maandag 2 oktober

Welkom

Woordsoorten
Koppelwerkwoord
(zww en hww)
Nederlands
1 / 23
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Welkom

Woordsoorten
Koppelwerkwoord
(zww en hww)
Nederlands

Slide 1 - Slide

Zelfstandig werkwoord
  • Heb je een zin met maar één werkwoord?
  • Dan is het sowieso een zww.

  • Thijs fietst naar huis.
  • Charlot slaapt nog steeds niet.

  • Het zelfstandig werkwoord vertelt wat er gebeurt!

Slide 2 - Slide

Meerdere werkwoorden in een zin?
  • Thijs is naar huis gefietst.
  • Charlot heeft nog steeds niet geslapen.

  • Het belangrijkste werkwoord is het zww. Je kunt het niet weglaten.
  • Het andere werkwoord is een hulpwerkwoord.
  • Twee werkwoorden? De pv is dan altijd hww!

Slide 3 - Slide

Meer dan twee werkwoorden?
  • Er is altijd één zww.
  • De rest is dan hww.

  • Frank heeft zijn broer niet weten te vinden.

  • Wat is het belangrijkste werkwoord? Welk werkwoord geeft aan wat er gebeurt?

Slide 4 - Slide

In de zin: Frank heeft zijn broer niet weten te vinden.
  • Is het belangrijkste werkwoord: vinden.
  • Je zou namelijk kunnen zeggen:
  1.  Frank wist zijn broer niet te vinden.
  2. Frank vond zijn broer niet.
Je kunt de zin steeds eenvoudiger maken tot er maar één ww overblijft.

  • heeft en weten zijn dus hulpwerkwoorden.

Slide 5 - Slide

Zww of Hww?
Deze film wordt veel bekeken.
Wordt is een...
A
zww
B
hww

Slide 6 - Quiz

Hij zou graag op straat willen spelen.
Spelen is een....
A
zww
B
hww

Slide 7 - Quiz

Frank vindt zijn broer niet.
Vindt is een....
A
zww
B
hww

Slide 8 - Quiz

Koppelwerkwoorden
  • Koppelwerkwoorden geven niet aan dat er iets gebeurt, maar koppelen een eigenschap aan het onderwerp.

  • Die kinderen zijn rijk.
  • Veel profvoetballers worden beroemd.

  • Je vindt een koppelwerkwoord in het naamwoordelijk gezegde.

Slide 9 - Slide

NG en WG
  • In een zin staan werkwoorden.
  • Meestal gebeurt er iets. Alle werkwoorden in de zin vormen dan samen het werkwoordelijk gezegde.

  • Hij heeft 5 km gezwommen.
  • wwg = heeft gezwommen.

Slide 10 - Slide

Naamwoordelijk gezegde
  • In een zin met een naamwoordelijk gezegde gebeurt niet iets, maar is iemand (of iets) iets.

  • De tandarts is ziek.
    Ziek zijn doe je niet, dat ben je.
  • De voetballer is beroemd.
    Beroem zijn doe je niet, dat bent je.

  • Ze doen niet iets, maar ze ZIJN iets.

Slide 11 - Slide

Bij een NG
  1. Gaat het om een eigenschap.
  2. Is er sprake van één van de volgende koppelwerkwoorden:
zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, en voorkomen

  • Per zin is er altijd maar één kww, de andere werkwoorden zijn hulpwerkwoorden. Tenzij het een samengestelde zin is.

Slide 12 - Slide

Voorbeelden kww's

  • De planeet Mars lijkt onbewoond.
    Onbewoond zijn doe je niet, dat ben je.

  • Mijn zusje is ziek.
    Ziek zijn doe je niet, dat ben je.

  • Dat bleek een vergissing.
    Dat doet niks, die bleek alleen iets te zijn. 

Slide 13 - Slide

Een lastige: welke zin heeft een naamwoordelijk gezegde en dus een koppelwerkwoord?
A
Hij blijft dit jaar nog profvoetballer.
B
Hij blijft dit jaar voetballen.

Slide 14 - Quiz

Uitleg:
  • Hij blijft dit jaar nog profvoetballer.
  • Hij is namelijk iets (profvoetballer), hij doet niet iets.

  • Hij blijft dit jaar voetballen.
  • Hier doet hij iets, namelijk voetballen.

Slide 15 - Slide

Twijfel je of iets een kww is?
  • Zijn, worden en blijven zijn de belangrijkste koppelwerkwoorden.

  • Kun je het werkwoord in de zin vervangen door zijn worden of blijven?
De bassist is ziek.
De bassist wordt ziek.
De bassist blijft ziek.

  • In de bassist is ziek, is is dus een koppelwerkwoord.

Slide 16 - Slide

De drummer blijft in het ziekenhuis.
Is 'blijft' een zww of kww?
A
zww
B
kww

Slide 17 - Quiz

Controle
  • De zin was:
  • De drummer blijft in het ziekenhuis.

  • Kun je zeggen: De drummer wordt in het ziekenhuis?
    Nee!

  • Blijft is dus geen kww maar een zww.

Slide 18 - Slide

Wat is juist?

Zij is ziek naar huis gegaan.
A
is=hww gegaan=zww
B
is= kww gegaan=zww

Slide 19 - Quiz

De rechercheur was ongewapend.

Was=
A
zww
B
kww

Slide 20 - Quiz

Als je meerdere werkwoorden in een zin hebt, dan is de persoonsvorm altijd een......

Slide 21 - Open question

Leg het verschil uit tussen een koppelwerkwoord en een zelfstandig werkwoord.

Slide 22 - Open question

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen

Slide 23 - Open question