Korte herhaling: taalregels
Korte herhaling: taalregels
This item has no instructions
Ik kan taalregels herkennen en goed gebruiken.
This item has no instructions
Welke taalregels herken jij al?
Gebruik de woordwolk om voorkennis op te halen. Verwachte woorden: hoofdletters, punt, komma, lidwoord, werkwoord, aanhalingstekens.
Inhoud
Hoofdletters
Punten
Komma's
Dubbele punt
Aanhalingstekens
Lidwoorden
Zelfstandige naamwoorden
Bijvoeglijke naamwoorden
Werkwoorden
Voorzetsels
Evaluatie
This item has no instructions
Hoofdletters
Je gebruikt een hoofdletter:
aan het begin van een zin
bij namen van personen
bij plaatsnamen en landen
bij feestdagen
Noem eventueel dat dagen en maanden in het Nederlands meestal geen hoofdletter krijgen, behalve aan het begin van een zin.
Punten
Een punt gebruik je:
aan het einde van een mededelende zin
om een zin duidelijk af te sluiten
niet achter een titel of kop
This item has no instructions
Komma's
Een komma helpt bij het lezen.
Je gebruikt een komma:
in een opsomming
tussen zinsdelen voor extra pauze
vaak voor woorden als maar of want
Houd het eenvoudig: focus op leespauzes en opsommingen, niet op alle grammaticaregels rond bijzinnen.
Dubbele punt
Een dubbele punt kondigt iets aan.
Je gebruikt een dubbele punt:
voor een opsomming
voor een uitleg
voor een citaat of letterlijke woorden
This item has no instructions
Wanneer gebruik je een hoofdletter?
Na een komma
Begin van een zin
Na een titel
In elke maandnaam
Sluit aan bij de slides over hoofdletters, punten en komma's. 'In elke maandnaam' is een veelgemaakte fout in het Nederlands.
Vul de juiste woorden in
Aan het begin van een zin gebruik je een hoofdletter. Aan het einde van een mededelende zin zet je een punt. In een opsomming helpt een komma bij het lezen. Een dubbele punt kondigt een uitleg of opsomming aan.
Alle vier begrippen komen terug in het eerste blok over leestekens en hoofdletters.
Aanhalingstekens
Aanhalingstekens gebruik je:
bij wat iemand letterlijk zegt
bij een citaat
soms bij een bijzondere titel of woord
Benadruk dat aanhalingstekens vaak samen voorkomen met een dubbele punt als er eerst wordt aangekondigd dat iemand iets zegt.
Lidwoorden
Lidwoorden horen bij een zelfstandig naamwoord.
De lidwoorden zijn:
de
het
een
Leg kort uit dat 'de' en 'het' bepaalde lidwoorden zijn en 'een' een onbepaald lidwoord is, als dat past bij het niveau van de groep.
Waarvoor gebruik je aanhalingstekens vooral?
Voor een plaats
Voor een opsomming
Voor letterlijke woorden
Voor een lidwoord
Controleert of leerlingen aanhalingstekens koppelen aan letterlijk zeggen of citeren, niet aan andere woordsoorten.
Waarom passen dubbele punt en aanhalingstekens vaak samen?
Bespreek dat een dubbele punt iets aankondigt en dat aanhalingstekens om de letterlijke woorden heen staan. Bijvoorbeeld: Sara zei: "Ik kom zo."
Zelfstandige naamwoorden
Een zelfstandig naamwoord is een woord voor:
een mens
een dier
een plant
een ding
een plaats of gevoel
Je kunt noemen dat je er vaak een lidwoord voor kunt zetten: de tafel, het huis, een hond.
Bijvoeglijke naamwoorden
Een bijvoeglijk naamwoord zegt meer over een zelfstandig naamwoord.
Voorbeelden:
de grote boom
het oude huis
een snelle fiets
This item has no instructions
Werkwoorden
Een werkwoord geeft aan:
wat iemand doet
wat er gebeurt
in welke tijd de zin staat
Voorbeelden: lopen, schrijft, speelde
Als passend: laat zien dat in bijna elke zin een persoonsvorm staat, maar houd de focus op herkennen van werkwoorden.
Voorzetsels
Een voorzetsel geeft vaak een plaats of tijd aan.
Voorbeelden:
op de tafel
onder de stoel
na school
in de klas
This item has no instructions
Welk woord is een zelfstandig naamwoord?
springen
mooie
tafel
onder
De afleiders komen uit de andere behandelde woordsoorten: werkwoord, bijvoeglijk naamwoord en voorzetsel.
Herken de woordsoorten
In de zin 'De grote hond loopt in de tuin' is De een lidwoord. grote zegt meer over hond en is een bijvoeglijk naamwoord. loopt is het werkwoord en in is het voorzetsel.
Toepassing van de laatste vijf onderdelen in één bekende voorbeeldzin.
Evaluatie
Wat hebben we gedaan?
Wat weten we nu?
Wat was mijn inbreng?
Op welk niveau heb ik gewerkt?
Volgende keer: toets.
Deze slide sluit de herhaling af en bereidt de klas mentaal voor op de toets in de volgende les.
Wat hebben we vandaag herhaald?
This item has no instructions
Wat weet jij nu beter dan aan het begin?
This item has no instructions
Op welk niveau heb jij gewerkt?
Ik had veel hulp nodig
Ik kon goed meedoen
Ik kon het zelfstandig
Ik kan het uitleggen
This item has no instructions
Begrippen
hoofdletter - grote letter aan het begin van een zin of naam
punt - leesteken dat een zin afsluit
komma - leesteken dat een korte pauze aangeeft
dubbele punt - leesteken dat een uitleg of opsomming aankondigt
aanhalingstekens - tekens om letterlijke woorden heen
lidwoord - woord dat bij een zelfstandig naamwoord hoort
zelfstandig naamwoord - woord voor mens, dier, ding, plant, plaats of gevoel
This item has no instructions
Begrippen
bijvoeglijk naamwoord - woord dat meer zegt over een zelfstandig naamwoord
werkwoord - woord dat een handeling of gebeurtenis aangeeft
voorzetsel - woord dat vaak plaats of tijd aangeeft
This item has no instructions